ECLI:NL:GHLEE:2005:AU6585

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
14 september 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
WAHV 05-00673
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
  • Dijkstra
  • Weenink
  • Van Wagtendonk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:28 AwbArt. 7:15 AwbArt. 8:75 AwbArt. 9 WAHVArt. 13a WAHV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen kostenveroordeling in administratief beroep verkeersboete

De betrokkene had beroep ingesteld tegen een inleidende beschikking waarin een sanctie van €40,- was opgelegd. De officier van justitie vernietigde deze beschikking, maar wees het verzoek om proceskostenvergoeding af omdat dit niet tijdig was ingediend volgens artikel 7:28 Awb Pro.

De kantonrechter verklaarde het beroep tegen deze afwijzing niet-ontvankelijk, maar het hof oordeelde dat de kantonrechter artikel 13a WAHV ten onrechte buiten toepassing had gelaten, waardoor het appèlverbod doorbroken moest worden.

Het hof bevestigde dat het verzoek om proceskostenvergoeding pas na afloop van de beroepsprocedure was ingediend en daarom niet ontvankelijk was. Het beroep tegen de afwijzing van de kostenvergoeding werd afgewezen.

Het hof veroordeelde wel de advocaat-generaal tot vergoeding van de proceskosten van de betrokkene voor het hoger beroep, begroot op €120,75.

De beslissing van de kantonrechter werd vernietigd, de afwijzing van het verzoek om kostenvergoeding door de officier van justitie bevestigd, en het verzoek om kostenvergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af en veroordeelt de advocaat-generaal tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene.

Uitspraak

WAHV 05/00673
14 september 2005
CJIB [nummer]
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank te Roermond
van 26 april 2005
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats],
voor wie als gemachtigde optreedt mr. drs. C.M.J.E.P. Meerts, wonende te Baexem
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de afwijzing door de officier van justitie in het arrondissement Roermond van het verzoek tot kostenvergoeding niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om vergoeding van kosten.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.
De advocaat-generaal heeft een reactie gegeven op de nadere toelichting op het beroep.
Op 6 juli 2005 is nog een fax met bijlage van de gemachtigde ontvangen. Nu deze na afloop van de daartoe gestelde termijn is ingekomen, kan op de inhoud hiervan geen acht worden geslagen.
3. Beoordeling
3.1. Bij de bestreden beslissing heeft de kantonrechter de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard in het beroep tegen de afwijzing door de officier van justitie van het verzoek tot kostenvergoeding. De kantonrechter heeft daarbij overwogen dat de gronden voor beroep tegen de beslissing van de officier van justitie zijn opgenomen in artikel 9 WAHV Pro en dat het beroep van de gemachtigde niet is ingesteld ter zake van het bepaalde in dat artikel.
3.2. In hoger beroep heeft de gemachtigde, onder verwijzing naar het arrest van het hof van 23 december 2003, nummer WAHV 03/00654 gesteld dat beroep bij de kantonrechter wel mogelijk is en dat daarom het appèlverbod dient te worden doorbroken.
3.3. Artikel 14 WAHV Pro bepaalt in welke gevallen hoger beroep van de uitspraak van de kantonrechter openstaat bij het hof. In het arrest WAHV 03/00654, d.d. 23 december 2003 (LJN AO1866, VR 2004/90, JB 2004/97), heeft het hof onder meer overwogen dat ten aanzien van de beslissing van de kantonrechter met betrekking tot de kosten in de fase van het administratief beroep op grond van de WAHV, noch op grond van enige andere wettelijke regeling hoger beroep open staat.
In het genoemde arrest heeft het hof evenwel beslist tot doorbreking van het appèlverbod op grond van de overweging dat de kantonrechter art. 13a WAHV, zoals dit luidt vanaf 12 maart 2002, buiten toepassing heeft gelaten.
3.4. Uit de stukken van het geding blijkt het volgende. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie van Euro 40,- opgelegd. De gemachtigde van de betrokkene heeft op 8 februari 2004 beroep ingesteld tegen de inleidende beschikking. Hierbij heeft hij om foto's van de gedraging verzocht en aangegeven dat hij na ontvangst van de foto's het beroep nader zou motiveren dan wel zou intrekken. Bij beslissing d.d. 22 juni 2004 heeft de officier van justitie de inleidende beschikking vernietigd. Bij schrijven d.d. 23 oktober 2004 heeft de gemachtigde aan de officier van justitie medegedeeld dat hij na de ontvangstbevestiging van het beroep d.d. 23 maart 2004 niets meer van hem heeft vernomen. Bij schrijven d.d. 1 november 2004 heeft de officier van justitie de gemachtigde medegedeeld dat de inleidende beschikking inmiddels was vernietigd en dat deze beslissing op 21 juni 2004 in het computersysteem was ingevoerd. Bij schrijven d.d. 3 november 2004 heeft de gemachtigde verzocht om de motivering voor die beslissing. Voorts heeft hij gesteld dat hij niet de gelegenheid heeft gehad om een verzoek om proceskostenvergoeding in te dienen en dat hij dit verzoek alsnog doet. Bij schrijven d.d. 9 december 2004 is van de zijde van het openbaar ministerie aan de gemachtigde bericht dat het verzoek om kostenvergoeding was afgewezen. Bij schrijven d.d. 12 december 2004 heeft de gemachtigde gevraagd om een motivering van deze beslissing. Bij schrijven d.d. 21 februari 2005 is van de zijde van het openbaar ministerie aan de gemachtigde medegedeeld dat het verzoek om proceskostenvergoeding is afgewezen, omdat het verzoek niet conform artikel 7:28 lid 3 Algemene Pro wet bestuursrecht (Awb) was ingediend vóórdat op het administratief beroep was beslist: "Omdat u te laat bent met het indienen van uw verzoek, is uw verzoek niet ontvankelijk.". Bij schrijven d.d. 23 februari 2005 heeft de gemachtigde het openbaar ministerie verzocht om het dossier door te zenden naar de kantonrechter, gelet op het afgewezen verzoek om kostenvergoeding. Voorts heeft hij gesteld dat het onmogelijk was het verzoek om proceskostenvergoeding tijdig te doen, omdat de beslissing van de officier van justitie prematuur en onverwacht kwam. De officier van justitie heeft het dossier naar de kantonrechter gezonden. Deze heeft beslist zoals onder 3.1. weergegeven.
3.5. Het hof is hieromtrent het volgende van oordeel. Indien de officier van justitie in de administratieve fase van het beroep de inleidende beschikking vernietigt, biedt artikel 9 WAHV Pro niet de mogelijkheid om tegen die beslissing beroep in te stellen bij de kantonrechter van de rechtbank indien de betrokkene het niet eens is met de beslissing omtrent de kosten of wanneer daaromtrent niet is beslist. Nu ingevolge art. 13a WAHV de kantonrechter echter bij uitsluiting bevoegd is - ook - over de proceskosten van het administratief beroep te oordelen, zal de betrokkene, die klaagt over het ontbreken van een beslissing omtrent de in die fase van het proces gevraagde vergoeding van kosten of over een onjuiste beslissing van de officier van justitie daaromtrent, door de kantonrechter moeten worden ontvangen in zijn beroep (zie eerder vermeld arrest Hof Leeuwarden, d.d. 23 december 2003).
3.6. Nu de kantonrechter art. 13a WAHV ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, heeft dit tot gevolg dat de betrokkene, hoewel art. 14 WAHV Pro niet in hoger beroep voorziet, toch moet worden ontvangen. Het hof zal derhalve de beslissing van de kantonrechter vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen.
3.7. Blijkens het eerste lid van art 13a WAHV is art 7:28 Awb Pro, tweede lid, eerste volzin, derde en vierde lid, van toepassing. Zakelijk weergegeven houdt die bepaling in zoverre in, dat de kosten van het administratief beroep uitsluitend op verzoek van de betrokkene worden vergoed voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Het verzoek moet worden gedaan vóórdat het beroepsorgaan op het beroep heeft beslist en het beroepsorgaan beslist op het verzoek als onderdeel van de beslissing op het beroep. De hoogte van de vergoedingen en de kostenposten die voor vergoeding in aanmerking komen, vloeien voort uit het Besluit proceskosten bestuursrecht.
3.8. In de memorie van toelichting bij de Wijzigingswet inzake kosten bestuurlijke voorprocedures (Stb. 2002, 55) wordt met betrekking tot de procedurele aspecten van de regeling onder meer opgemerkt: "In de opzet van het wetsvoorstel neemt het bestuursorgaan - desverzocht - in beginsel (eerst) zelf een beslissing omtrent vergoeding van kosten, en wel in de beslissing op het bezwaar- of beroepschrift. Daarom is het criterium voor vergoeding ook in de eerste plaats neergelegd in de artikelen 7:15 en 7:28 Awb, die zien op de bezwaarschriftprocedure respectievelijk het administratief beroep. (...). Een belangrijk uitgangspunt is voorts dat - evenals bij artikel 8:75 van Pro de Awb het geval is - het wettelijk stelsel voorziet in concentratie van rechtsgangen en leidt tot beperking van procedures. Daartoe stellen wij een stelsel voor waarin het toekennen van een vergoeding voor de kosten van de bestuurlijke voorprocedure alleen mogelijk is indien de belanghebbende in de voorprocedure daarom verzoekt. In dat geval zal daarop door het bestuursorgaan bij de beslissing op het bezwaar of administratief beroep een uitdrukkelijke beslissing moeten worden gegeven. De beslissing op een dergelijk verzoek is daarmee onderdeel van de beslissing op bezwaar of beroep.(...). Vergoeding van kosten van de bestuurlijke voorprocedure is alleen mogelijk indien de belanghebbende daarom in de voorprocedure (en wel voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist) heeft gevraagd.".
3.9. Zoals onder 3.4. is vermeld heeft de officier van justitie op 22 juni 2004 beslist tot vernietiging van de inleidende beschikking. Het beroepschrift d.d. 8 februari 2004 van de gemachtigde tegen de inleidende beschikking bevat geen verzoek om vergoeding van proceskosten. De gemachtigde heeft op 3 november 2004 verzocht om vergoeding van proceskosten, nadat de officier van justitie hem bij schrijven d.d. 1 november 2004 omtrent zijn beslissing d.d. 22 juni 2004 had geïnformeerd. De gemachtigde stelt dat hij daartoe niet eerder gelegenheid heeft gekregen "omdat de beschikkingen ineens blijken te zijn vernietigd, zodat (het hof leest: zonder) dat de procedure zoals gebruikelijk eerst was afgerond.".
3.10. Blijkens het voorgaande heeft de gemachtigde van de betrokkene het verzoek om vergoeding van proceskosten eerst ná afloop van de beroepsprocedure ingediend. Derhalve is niet aan het vereiste van artikel 7:28, derde lid, Awb voldaan en heeft de officier van justitie het verzoek terecht niet toegewezen. Dat de gemachtigde niet in de gelegenheid zou zijn geweest om het verzoek éérder te doen mist feitelijke grondslag. Hij had dat verzoek immers reeds in het beroepschrift tegen de inleidende beschikking kunnen opnemen. Dat hij dit beroepschrift heeft aangemerkt als een pro forma beroepschrift doet daaraan niet af en vloeit overigens voort uit een procesopstelling die de gemachtigde om hem moverende redenen zelf heeft gekozen. Aan het voorgaande doet evenmin af dat de gemachtigde kennelijk niet reeds op of kort ná 22 juni 2004, zoals verwacht had mogen worden, op de hoogte is gesteld van de beslissing van de officier van justitie. Het hof zal derhalve het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie afwijzen. Opmerking verdient dat - zoals blijkt uit de brief van 21 februari 2005 van het openbaar ministerie - het verzoek tot vergoeding van kosten niet in behandeling is genomen wegens te late indiening, zodat het in feite niet-ontvankelijk is verklaard. Het hof zal de beslissing van de officier van justitie dienovereenkomstig verstaan en bevestigen.
3.11. Nu de betrokkene in het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet in het gelijk wordt gesteld, is er geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten.
3.12. Nu het hoger beroep van de betrokkene gegrond zal worden verklaard, zal het hof de advocaat-generaal veroordelen tot vergoeding van proceskosten, zijnde de kosten van de door de gemachtigde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Ingevolge art 1 sub a jo Pro art. 2 lid 1 sub a en Pro de Bijlage van het Besluit proceskosten bestuursrecht komen voor vergoeding in aanmerking het hoger beroepschrift (1 punt), alsmede de nadere toelichting op het beroepschrift (0,5 punt). Het hof kent aan de zaak de wegingsfactor 0,5 toe. Voorts is het hof van oordeel, dat in casu sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in art. 3 van Pro het Besluit, aangezien de werkzaamheden van de rechtsbijstandverlener in hoger beroep in deze en na te melden zaak identiek waren. Dat betekent dat de zaak met het onderhavige WAHV-nummer tezamen met de zaak met het WAHV-nummer 05/00672 voor de toepassing van (art. 2 van Pro) het Besluit als één zaak wordt beschouwd. Gelet op het voorgaande zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van Euro 120,75 (= 1,5 punt x Euro 322 x 0,5 : 2).
4. De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
bevestigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 9 december 2004;
wijst het verzoek van de betrokkene om de officier van justitie te veroordelen in de proceskosten ten behoeve van het beroep bij de kantonrechter af;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van Euro 120,75.
Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, als voorzitter, Weenink en Van Wagtendonk, in tegenwoordigheid van mr. Zomer als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.