ECLI:NL:GHLEE:2006:AU9348
Gerechtshof Leeuwarden
- Eerste aanleg - meervoudig
- F.J.W. Drion
- G.M. van der Meer
- G.W.B. van Westen
- Rechtspraak.nl
Geschil over afwaardering rekening-courantvordering directeur op BV in inkomstenbelasting 2001
Belanghebbende, directeur en middellijk enig aandeelhouder van B B.V., had in 2000-2002 vanuit privé betalingen gedaan voor de BV vanwege liquiditeitsproblemen, welke als vordering op de rekening-courant werden geboekt. Per 31 december 2001 bedroeg deze vordering €150.478. Bij de aangifte inkomstenbelasting 2001 werd deze vordering volledig afgeboekt als oninbaar.
De inspecteur weigerde deze afwaardering te accepteren, stellende dat de oninbaarheid per 31 december 2001 nog niet vaststond en dat de betalingen deels als storting van informeel kapitaal moesten worden gezien. Het hof stelde vast dat het eigen vermogen van de BV weliswaar daalde, maar de solvabiliteit per 31 december 2001 nog niet in gevaar was en dat het faillissement pas in 2002 duidelijk werd.
Daarom was het niet aannemelijk dat de vordering per eind 2001 oninbaar was. Afwaardering ten laste van het belastbaar inkomen over 2001 was derhalve niet gerechtvaardigd. De aanslag was correct vastgesteld en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag inkomstenbelasting 2001 wordt ongegrond verklaard omdat de rekening-courantvordering per 31 december 2001 niet als oninbaar kan worden afgeboekt.