4. De overwegingen omtrent het geschil
4.1 Op belanghebbende rust de last om aannemelijk te maken dat de onder 2.3 genoemde vaste kostenvergoeding van f 400,- per maand wat betreft de omvang ervan reëel is.
4.2 Belanghebbende is er naar de opvatting van de inspecteur niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de omvang van deze kostenvergoeding meer dient te bedragen dan de inspecteur heeft toegestaan (f 250,- per maand). Belanghebbende heeft ter zake geen beroep aangetekend.
4.3 De inspecteur heeft een boete opgelegd van 25% (Zie 2.5).
Belanghebbende heeft hiertegen wel beroep ingesteld. Naar het oordeel van het hof had belanghebbende moeten beseffen dat voor de vaste kostenvergoeding een deugdelijke administratieve onderbouwing noodzakelijk is. Nu aangenomen moet worden dat belanghebbende hiervoor geen zorg heeft gedragen, is het aan grove schuld van belanghebbende te wijten dat zij bij controle niet aannemelijk heeft kunnen maken dat de door haar betaalde kostenvergoeding van f 400,- per maand reëel was. Naar het oordeel van het hof is het derhalve aan grove schuld van belanghebbende te wijten dat te weinig belasting is betaald. Het hof acht de opgelegde boete (zie 2.5) dan ook in beginsel passend en geboden. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr 37 984, BNB 2005/337 c*, V-N 2005/22.6, overweegt het hof ambtshalve dat sinds de aankondiging van de boete tot de onderhavige uitspraak ongeveer 2 jaren en 4 maanden zijn verstreken. De overschrijding van de termijn van in beginsel twee jaar tussen aankondiging en uitspraak van het hof met 4 maanden acht het hof echter gelet op de cijfermatige ingewikkeldheid van de zaak niet onredelijk. Er is derhalve geen reden om de boete te verminderen.
4.4 Belanghebbende heeft zich nog beroepen op eerdere boekenonderzoeken. Haar opmerkingen ter zake zijn echter te weinig concreet om daaruit te kunnen afleiden (mede gelet op hetgeen de inspecteur daartegen heeft aangevoerd op bladzijde 3 van het verweerschrift) dat zij mocht aannemen dat de onderhavige kwestie toen op zijn fiscale merites is beoordeeld. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt derhalve.
4.5 Belanghebbende heeft in haar brief van 3 november 2005 (genoemd onder 1) nog vermeld dat de controlerend ambtenaar F in het gebouw van de belastingdienst in elk geval tijdens het boekenonderzoek op dezelfde kamer zat als de heer G, die het beroep behandelde en dat er dus geen sprake was van een onbevooroordeelde beroepsgang. Volgens de inspecteur heeft G niet het beroep behandeld, maar uitspraak gedaan op bezwaar.
Hoe dan ook, naar het oordeel van het hof is het op één kamer zitten op zichzelf geen reden om aan te nemen dat er geen sprake is van een onbevooroordeelde beroepsgang.
4.6 Gelet op het voorgaande dient te worden beslist als hierna te vermelden.