ECLI:NL:GHLEE:2006:AV1872
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Dijkstra
- Poelman
- Weenink
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de ontvankelijkheid van hoger beroep in bestuursrechtelijke verkeerszaken met betrekking tot zekerheidstelling
In deze zaak heeft het Gerechtshof Leeuwarden op 19 januari 2006 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Roermond. De betrokkene had verzet aangetekend tegen een dwangbevel dat door de officier van justitie was uitgevaardigd. De kantonrechter verklaarde het verzet ongegrond, waarna de betrokkene hoger beroep instelde. De gemachtigde van de betrokkene verzocht om vergoeding van kosten, terwijl de advocaat-generaal een verweerschrift indiende.
Het hof beoordeelde de ontvankelijkheid van het hoger beroep aan de hand van artikel 26a van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV). Dit artikel stelt dat degene die hoger beroep instelt, dit moet doen na voorafgaande zekerheidstelling van het verschuldigde bedrag en de kosten, alsook na betaling van het griffierecht. De betrokkene had een betalingsregeling getroffen met de gerechtsdeurwaarder, maar het hof oordeelde dat dit niet voldeed aan de vereisten voor zekerheidstelling bij het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB).
Het hof concludeerde dat de betrokkene ten onrechte had aangenomen dat de betalingsregeling voldeed aan de verplichting tot zekerheidstelling. Gezien de financiële situatie van de betrokkene en het feit dat het griffierecht voor drievierde deel in debet was gesteld, oordeelde het hof dat de betrokkene alsnog in de gelegenheid moest worden gesteld om de zekerheid te voldoen op een wijze die in overeenstemming was met zijn draagkracht. Aangezien de betrokkene inmiddels de vordering volledig had voldaan, werd hij in zijn hoger beroep ontvangen.
Met betrekking tot de rechtmatigheid van het dwangbevel oordeelde het hof dat de officier van justitie dit terecht had uitgevaardigd, omdat de betrokkene geen feiten of omstandigheden had aangevoerd die erop wezen dat hij de inleidende beschikkingen niet had ontvangen. Het hof bevestigde de beschikking van de kantonrechter en wees het verzoek om vergoeding van kosten af.