ECLI:NL:GHLEE:2006:AV4115

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
8 maart 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
Rolnummer 0400472
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Mollema
  • Zuidema
  • Hidma
  • Streppel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:658 lid 2 BWArt. 150 Rv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schadevergoeding na bedrijfsongeval wegens ontbreken causaal verband

Appellant vorderde schadevergoeding op grond van een bedrijfsongeval dat hij op 27 november 1997 zou hebben gehad tijdens zijn dienstverband bij Teijin Twaron B.V. Hij stelde dat hij daardoor polsklachten had opgelopen en eiste vergoeding van materiële en immateriële schade.

De kantonrechter wees de vordering af, waarna appellant hoger beroep instelde. In hoger beroep stelde appellant een gespecificeerd bewijsaanbod over het ongeval, maar leverde geen bewijsaanbod over het causaal verband tussen het ongeval en de schade.

Het hof oordeelde dat appellant op grond van art. 7:658 lid 2 BW Pro en art. 150 Rv Pro de bewijslast draagt voor het bestaan van het ongeval en het oorzakelijk verband met de schade. Het ontbreken van een bewijsaanbod omtrent het causale verband leidde tot afwijzing van de vordering.

Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde appellant in de kosten van het hoger beroep.

Uitkomst: De vordering tot schadevergoeding wegens het bedrijfsongeval is afgewezen wegens ontbreken van bewijs voor het causaal verband.

Uitspraak

Arrest d.d. 8 maart 2006
Rolnummer 0400472
HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN
Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:
[appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant,
in eerste aanleg: eiser,
hierna te noemen: [appellant],
procureur: mr W.M. Veldjesgraaf,
tegen
Teijin Twaron B.V.,
gevestigd te Emmen,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna te noemen: Teijin,
procureur: mr J.V. van Ophem.
Het geding in eerste instantie
In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 20 augustus 2003 en 25 februari 2004 door de rechtbank Assen, sector kanton, locatie Emmen (hierna: de kantonrechter).
Het geding in hoger beroep
Bij (herstel)exploot van 13 september 2004 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van het vonnis d.d. 25 februari 2004 met dagvaarding van Teijin tegen de zitting van 20 oktober 2004
De conclusie van de memorie van grieven luidt:
"Appellant vraagt het gerechtshof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de Rechtbank Assen, sector Kanton locatie Emmen gewezen op 25 februari 2004 onder zaak-\rolnummer: 19678 CV EXPL\03-1610 tussen appellant als eiser en geïntimeerde als gedaagde, te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, geïntimeerde te veroordelen tot betaling van:
a. de vergoeding van de door eiser geleden en nog te lijden schade, waaronder verlies aan arbeidsvermogen, economische kwetsbaarheid en geleden en nog te lijden immateriële schade als gevolg van een aan eiser op 27 november 1997 overkomen bedrijfsongeval alsmede de vergoeding van de door eiser gemaakte en nog te maken kosten, deze schade en kosten nader op te maken bij staat en ter vereffenen volgens de Wet;
b. de wettelijke rente over sub a genoemde bedragen vanaf 27 november 1997 tot de dag der algehele voldoening;
c. een bedrag ad Euro 2.000,00 als verschot op de vergoeding van de schade van eiser;
d. de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep
e. een bedrag van Euro 450,00 aan door te restitueren proceskosten in eerste aanleg die appellant heeft betaald."
Bij memorie van antwoord is door Teijin verweer gevoerd met als conclusie:
"bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, zonodig onder verbetering en/of aanvulling van de gronden, te bevestigen het vonnis van de Rechtbank Assen, sector Kanton, locatie Emmen d.d. 25 februari 2004 onder zaak-\rolnummer: 119678 CV EXPL 03-1610 tussen partijen gewezen, met veroordeling van appellant in de kosten in beide instanties."
Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.
De grieven
[appellant] heeft vijf grieven opgeworpen.
De beoordeling
1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2 van genoemd vonnis 25 februari 2004 is geen grief ontwikkeld, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan.
2. Kort weergegeven gaat het in dezen om het navolgende:
2.1 [appellant] heeft gesteld in 1997 een bedrijfsongeval te hebben gehad, toen hij in dienstverband werkzaam was bij Teijin. Hij heeft gevorderd Teijin te veroordelen tot vergoeding van de schade welke hij tengevolge van het ongeval heeft geleden.
2.2 Na door Teijin gevoerd verweer heeft de kantonrechter deze vordering afgewezen.
3. [appellant] heeft op grond van art. 7:658 lid 2 BW Pro schadevergoeding gevorderd, stellende dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor Teijin. Teijin heeft ontkend dat het door [appellant] gestelde ongeval tijdens diensttijd heeft plaatsgevonden. Teijin heeft voorts betwist dat er sprake is van causaal verband tussen het beweerdelijk plaatsgevonden hebbende ongeval en de polsklachten waar [appellant] beweerdelijk last van heeft.
4. Nu Teijin gemotiveerd de juistheid heeft weersproken van de door [appellant] gestelde feiten, op de rechtsgevolgen waarvan deze zich heeft beroepen, dient [appellant] op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv Pro te bewijzen dat hem in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor Teijin een ongeval is overkomen en dat er oorzakelijk verband bestaat tussen de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd (het polsletsel en de gevolgen daarvan) en dat ongeval .
5. Het hof moet constateren dat [appellant] in hoger beroep wel een gespecificeerd bewijsaanbod heeft gedaan met betrekking tot het hem op 27 november 1997 beweerdelijk overkomen bedrijfsongeval, maar dat een bewijsaanbod terzake van het causale verband tussen dat ongeval en de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd, in hoger beroep in het geheel niet voorligt. Nu het hof geen termen aanwezig acht [appellant] ambtshalve met dat bewijs te belasten, brengt een en ander mede dat aan de stellingen die [appellant] aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd, dient te worden voorbij gegaan, zodat moet worden geconcludeerd dat die vordering terecht is afgewezen.
6. De grieven treffen derhalve, wat daar verder ook van zij, geen doel.
De slotsom.
7. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd met veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep.
De beslissing
Het gerechtshof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van Teijin tot aan deze uitspraak op Euro 241,-- aan verschotten en Euro 894,-- aan salaris voor de procureur;
verklaart dit arrest, voor wat de kostenveroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad.
Aldus gewezen door mrs Mollema, voorzitter, Zuidema en Hidma, raden, en uitgesproken door mr Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Haites-Verbeek als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 8 maart 2006.