4.7 Naar het oordeel van het hof heeft de heffingsambtenaar bij het vaststellen van het tarief niet gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 229b van de Gemeentewet, reeds omdat uit de vaststaande feiten onder 2.4. volgt dat de geraamde lasten, bestaande uit de post 'pompen en riolen (rioolgemalen)' ad ƒ 1.248.718,- en waarin dus geen reserveringen of voorzieningen zijn opgenomen, de geraamde baten ad ƒ 1.247.873,- overschrijden en er voor het hof geen reden is aan de betrouwbaarheid van deze bedragen te twijfelen. Het raadsbesluit van 4 november 1994 staat er niet aan in de weg om bij de vaststelling van het belastingtarief rekening te houden met de kapitaalslasten, temeer niet nu dit tarief door diezelfde raad wordt vastgesteld.
4.8 Bovendien is het hof van oordeel dat de aanleg van de bergbezinkvoorzieningen ad ƒ 1.100.000,- - dit zijn naar niet, althans onvoldoende, weersproken is komen vast te staan reservoirs voor tijdelijke opvang van afvalwater waarin tevens slibafzetting plaatsvindt met een voorziening om het slib te kunnen verwijderen en waaruit overstortingen plaatsvinden -, geen uitbreidingen van het bestaande buizenstelsel van de gemeentelijk riolering inhoudt maar de aanleg betreft van voorzieningen om het bestaande stelsel aan de hedendaagse eisen te laten voldoen en om de continuïteit van het bestaande rioleringssysteem te kunnen waarborgen. Een reservering voor dergelijke voorzieningen valt dus binnen de grenzen van het tweede lid van genoemd artikel 229b.
Wat betreft de post 'aansluiting panden buitengebied' ad ƒ 124.825,- heeft de heffingsambtenaar onvoldoende weersproken gesteld dat dit geen reservering, maar een afschrijvingslast betreft van de vanaf 2001 geplande aansluiting van 73 percelen in het buitengebied. Dit vindt bevestiging in het (deels) tot de gedingstukken behorende Rioleringsplan 2000-2004 (bijlage 12 verweerschrift). Deze kosten mogen worden meegenomen bij de vaststelling van het tarief. De omstandigheid dat uiteindelijk pas in 2002 met de aanleg hiervan is begonnen, rechtvaardigt geen andere conclusie.
Het door de belanghebbende genoemde investeringsbedrag van ƒ 10.000,- heeft geen betrekking op het onderhavige jaar, zodat het hof hieraan voorbij zal gaan.
Ook anderszins is het hof niet aannemelijk geworden dat de gemeente geraamde lasten die betrekking hebben op toekomstige uitbreiding van het rioleringsstelsel in de geldende belastingtarieven heeft verdisconteerd door daarvoor in de begroting een reservering of voorziening op te nemen.
4.9 Omdat de post 'correctie onbalans' ad ƒ 177.300,- naar de heffingsambtenaar onvoldoende weersproken heeft gesteld en mede blijkt uit de beheersbegroting 2001 (bijlage 11 verweerschrift) via de egalisatiereserve verloopt, kan hetgeen belanghebbende ten aanzien van deze post heeft opgemerkt haar, gelet op het onder 4.7 overwogene, eveneens niet baten.
4.10 Het hof is ook overigens niet aannemelijk geworden dat de gemeente bij het opmaken van de aan de belastingtarieven ten grondslag liggende begroting voor het belastingjaar 2001 heeft gehandeld in strijd met het bepaalde, dan wel het doel en de strekking van, artikel 229b van de Gemeentewet. Evenmin is aannemelijk geworden dat sprake is van handelen in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur van de zijde van de gemeente. Het gelijk is derhalve aan de zijde van de heffingsambtenaar.