4.5 Naar het oordeel van het hof heeft de heffingsambtenaar bij het vaststellen van het tarief niet gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 229b van de Gemeentewet omdat uit de vaststaande feiten onder 2.2. en het hierna onder 4.6 overwogene volgt dat de geraamde lasten de geraamde baten overschrijden en er voor het hof geen reden is aan de betrouwbaarheid van de onder 2.2 vermelde bedragen te twijfelen.
4.6 Anders dan de belanghebbende meent is het hof van oordeel dat de aanleg van de bergbezinkvoorzieningen ad ƒ 300.000,- (€ 135.134,-) in het onderhavige jaar - dit zijn naar niet, althans onvoldoende, weersproken is komen vast te staan reservoirs voor tijdelijke opvang van afvalwater waarin tevens slibafzetting plaatsvindt met een voorziening om het slib te kunnen verwijderen en waaruit overstortingen plaatsvinden -, geen uitbreiding van het bestaande buizenstelsel van de gemeentelijk riolering inhoudt maar de aanleg betreft van voorzieningen om het bestaande stelsel aan de hedendaagse eisen te laten voldoen en om de continuïteit van het bestaande rioleringssysteem te kunnen waarborgen. Een reservering voor dergelijke voorzieningen valt dus binnen de grenzen van het tweede lid van genoemd artikel 229b, zodat met deze kosten terecht rekening is gehouden in de begroting die aan de vaststelling van het belastingtarief ten grondslag ligt.
Datzelfde geldt voor de post 'aansluiting panden buitengebied' ad ƒ 124.825,- (€ 56.643,-). Ten aanzien van deze post heeft de heffingsambtenaar immers onvoldoende weersproken gesteld dat dit geen reservering, maar een afschrijvingslast betreft van de vanaf 2001 geplande aansluiting van 73 percelen in het buitengebied. Deze stelling van de heffingsambtenaar vindt bevestiging in het (deels) tot de gedingstukken behorende Rioleringsplan 2000-2004 (bijlage 11 verweerschrift), zodat ook deze kosten naar het oordeel van het hof terecht zijn meegenomen bij de vaststelling van het belastingtarief.
Ook anderszins is het hof niet aannemelijk geworden dat de gemeente geraamde lasten, die betrekking hebben op toekomstige uitbreiding van het rioleringsstelsel, in de geldende belastingtarieven heeft verdisconteerd door daarvoor in de begroting een reservering of voorziening op te nemen. Het door de belanghebbende genoemde investeringsbedrag van ƒ 10.000,- heeft geen betrekking op het onderhavige jaar, zodat het hof hieraan voorbij zal gaan.
4.7 Gelet op het onder 2.2 vermelde en het onder 4.6 overwogene kan hetgeen de belanghebbende heeft opgemerkt ten aanzien van de post 'correctie onbalans' ad ƒ 177.300,- (€ 80.455,-) haar niet baten. De geraamde lasten overschrijden immers reeds ruimschoots de geraamde baten.
4.8 Anders dan de belanghebbende meent staat het raadsbesluit van 4 november 1994 er niet aan in de weg dat bij de vaststelling van het belastingtarief rekening wordt gehouden met de kapitaalslasten, temeer niet nu het belastingtarief door diezelfde raad is vastgesteld.
4.9 Nu het hof ook overigens niet aannemelijk is geworden dat de gemeente bij het opmaken van de aan de belastingtarieven ten grondslag liggende begroting voor het belastingjaar 2002 heeft gehandeld in strijd met het bepaalde, dan wel het doel en de strekking van, artikel 229b van de Gemeentewet, is het gelijk aan de zijde van de heffingsambtenaar.