7. Grief 5 richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellant] meerdere kansen op ander werk niet heeft benut en dat hij zich door zijn opstelling niet erop kan beroepen dat de gevolgen van het ontslag voor hem te ernstig zijn vergeleken met de belangen van [Transport B.V.], nu [appellant] zelf die door hem beweerde ernstige gevolgen in stand houdt.
7.1 Vaststaat dat [appellant] ten tijde van de ontslagaanvraag en ook daarna nog, tot
1 november 2004 - het tijdstip waartegen de arbeidsovereenkomst is opgezegd - volledig arbeidsongeschikt was, laatstelijk als gevolg van zijn psychische toestand. Onder die omstandigheden had van [Transport B.V.] verwacht mogen worden zich meer in te spannen om voor [appellant], die toch sedert een lange reeks van jaren bij haar als chauffeur in dienst was, een andere, gelijkwaardige betrekking te vinden.
7.2 Naar 's hofs oordeel moeten de inspanningen die gedurende het outplacement-traject ten behoeve van [appellant] zijn verricht, in dit concrete geval als onvoldoende worden aangemerkt. Niet gebleken is immers dat [appellant] banen zijn aangeboden die in voldoende mate aansloten bij zijn persoonlijke omstandigheden, waarbij met name meespeelt dat [appellant] als gevolg van zijn leeftijd en psychische gesteldheid moeilijk herplaatsbaar was. Dit laatste blijkt alleen al uit het feit dat, uitgezonderd [appellant] en nog één collega, alle andere voor outplacement in aanmerking komende werknemers van [Transport B.V.] wel elders ondergebracht konden worden. Bovendien heeft [Transport B.V.], kennelijk met het oog op hun bijzondere positie, uitsluitend voor [appellant] en die andere collega een voorziening in het kader van de VUT-regeling getroffen. Dat [Transport B.V.] zelf al had voorzien dat [appellant] moeilijk bemiddelbaar zou zijn, blijkt voorts uit het feit dat hij in het begin van 2004 in een hoger salaris is ingeschaald dan waarop hij uit hoofde van zijn functie volgens de CAO recht had.
7.3 Het hof acht het door [Transport B.V.] aan [appellant] gemaakte verwijt dat hij de kansen op aangeboden ander werk niet heeft benut, niet gerechtvaardigd. Gelet op de aard van de aangeboden banen en de - in beginsel - tijdelijke duur ervan, bezien in combinatie met de psychische gesteldheid van [appellant], treft hem in alle redelijkheid niet het verwijt dat hij (uiteindelijk) niet op die aanbiedingen is ingegaan.
7.4 Dit alles leidt tot het oordeel dat de opzegging van de arbeidsverhouding vanwege de nadelige gevolgen ervan voor [appellant], beoordeeld naar de op de ingangs-datum van de opzegging bestaande situatie, als kennelijk onredelijk moet worden aangemerkt.
7.5 Op grond hiervan komt [appellant] een schadevergoeding toe, welke door het hof naar billijkheid zal worden vastgesteld op een bedrag van euro 40.000,-- bruto. Daarbij is mede rekening gehouden met de bovengenoemde omstandigheden dat [Transport B.V.] de wettelijke opzegtermijn heeft gehanteerd en [appellant] voor de beëindiging van het dienstverband een hoger inkomen heeft toegekend.
7.6 De grief slaagt.