ECLI:NL:GHLEE:2007:AZ8859
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- H.L.C. Hermans
- H. Kalsbeek
- K. Lahuis
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak verkrachting binnen huwelijk wegens onvoldoende bewijs
Verdachte werd in hoger beroep verdacht van verkrachting van zijn echtgenote in de periode van november 2000 tot november 2003. De relatie tussen verdachte en slachtoffer was aanvankelijk goed, maar later gekenmerkt door frustraties en ongelijkwaardigheid. De rechtbank had verdachte vrijgesproken van verkrachting, maar veroordeeld voor een subsidiair feit.
Het hof beoordeelde of verdachte wist of moest begrijpen dat de instemming van zijn echtgenote ontbrak. Uit verklaringen bleek dat slachtoffer niet expliciet nee zei en soms zelfs de indruk wekte instemming te geven, onder meer door mee te gaan naar parenclubs en prostituees. Mishandelingen werden los van seksuele handelingen gezien en pas laat in de procedure werd een verband gelegd tussen geweld en seksuele handelingen.
Gezien de twijfel over het ontbreken van instemming achtte het hof het ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen en sprak verdachte vrij. De vordering van de benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de vrijspraak aan verdachte betrekking had. Beide partijen dragen hun eigen proceskosten.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van verkrachting wegens onvoldoende bewijs dat hij wist of moest begrijpen dat instemming ontbrak.