ECLI:NL:GHLEE:2007:BC8708

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
2 oktober 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
WAHV 07-00574
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Dijkstra
  • Weenink
  • Van Wagtendonk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43 lid 3 RVV 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie voor onnodig gebruik vluchtstrook op autosnelwegafrit

Aan betrokkene is een administratieve sanctie opgelegd wegens het buiten noodzaak gebruikmaken van de vluchtstrook op de afrit van de rijksweg A59 te Drunen. Betrokkene voerde aan dat er sprake was van noodzaak vanwege verkeersopstoppingen en dat het gebruik van de vluchtstrook een gebruikelijke en gedoogde praktijk was om files te voorkomen.

De kantonrechter verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond, waarna betrokkene hoger beroep instelde bij het gerechtshof Leeuwarden. Het hof stelde vast dat er geen sprake was van een noodgeval in de zin van artikel 43, derde lid, RVV 1990, aangezien de vluchtstrook primair bestemd is voor pechgevallen en incidentele urgente situaties.

Hoewel het gebruik van de vluchtstrook ter bevordering van de doorstroming begrijpelijk was, oordeelde het hof dat dit onaanvaardbaar is en dat het aan de wegbeheerder is om maatregelen te treffen. Er was geen sprake van gedoogbeleid en het hof zag geen reden om de sanctie te matigen. De beslissing van de kantonrechter werd bevestigd.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de sanctie van € 200 voor het onnodig gebruik van de vluchtstrook.

Uitspraak

WAHV 07/00574
2 oktober 2007
CJIB 19090242307
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch
van 24 januari 2007
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats]
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement 's-Hertogenbosch genomen beslissing ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling
3.1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 200,- opgelegd ter zake van "op autosnelweg buiten noodzaak gebruik maken van vluchtstrook of vluchthaven", welke gedraging zou zijn verricht op
16 januari 2006 om 17.42 uur op de rijksweg A59 in Drunen met het voertuig met het kenteken [kenteken]
3.2. De betrokkene ontkent primair dat hij de gedraging heeft verricht, aangezien er wel degelijk sprake was van noodzaak. Subsidiair is betrokkene van mening dat de gedraging is verricht onder omstandigheden welke het opleggen van een sanctie niet billijken dan wel matiging van de sanctie rechtvaardigen.
Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd. De gedraging zou zijn verricht op de noordelijke afrit Drunen komende vanuit de richting 's-Hertogenbosch. De betreffende afrit zorgt geregeld voor grote verkeersopstoppingen waarbij de file op de afrit doorloopt tot op de hoofdbaan van de snelweg, hetgeen gevaarlijke situaties oplevert. Ter onderbouwing van de door hem geschetste situatie heeft de betrokkene een afschrift van een krantenartikel van het Brabants Dagblad
d.d. 1 maart 2007 in het geding gebracht. De betrokkene stelt dat vanwege deze verkeerssituatie de vaste praktijk is ontstaan dat het verkeer op de afrit zich splitst in twee stromen: één voor het verkeer dat onder aan de afrit linksaf slaat en één voor het rechtsafslaand verkeer. Omdat de afrit slechts uit één rijstrook bestaat, maken beide stromen daarbij deels gebruik van het links respectievelijk rechts naast de doorgetrokken streep gelegen wegdek. Daarmee wordt voorkomen dat zich een onnodig lange file vormt op de hoofdrijbaan, zodat de noodzaak van deze handelwijze is aangetoond. De betrokkene moest rechtsaf en is zodoende aangesloten bij het verkeer dat voor rechtsaf stond 'voorgesorteerd'.
De betrokkene stelt voorts dat deze situatie zich ook op vergelijkbare afritten elders in het land voordoet en gewoonlijk wordt gedoogd. Hij acht het daarom in strijd met het gelijkheidsbeginsel dat hij voor deze gedraging is geverbaliseerd.
3.3. De ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB houdt onder meer het volgende in:
"Ik zag dat de bestuurder met een geschatte snelheid van 40 km/h over een afstand van 300 meter over de vluchtstrook reed. Nadat de bestuurder was staande gehouden toonde deze de noodzaak hiervan niet aan.".
3.4. De betreffende gedraging is een overtreding van artikel 43, derde lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV) 1990. Deze bepaling luidt als volgt: “Behoudens in noodgevallen is het de weggebruikers verboden op een autosnelweg of autoweg gebruik te maken van de vluchtstrook, de vluchthaven of de berm.”.
3.5. Uit het gebruik van het woord “noodgevallen” en uit de wetsgeschiedenis blijkt, dat het de weggebruiker slechts in incidentele gevallen van urgente aard vrijstaat gebruik te maken van de vluchtstrook. De Nota van toelichting op het RVV 1990 (hoofdstuk X) houdt in dit verband onder meer in dat de vluchtstrook primair bestemd is voor pechgevallen. Het voorgaande brengt mee dat een gebrekkige doorstroming van het verkeer op de afrit waardoor mogelijk gevaarlijke situaties op de hoofdrijbaan zouden kunnen ontstaan, naar het oordeel van het hof niet als een noodgeval in de zin van deze bepaling kan worden aangemerkt. Nu in casu geen sprake was van een noodgeval, stelt het hof vast dat de gedraging is verricht.
3.6. Het hof is van oordeel dat het door de betrokkene geschetste gebruik van de vluchtstrook ter bevordering van de doorstroming van het verkeer, hoewel uit praktische overwegingen niet geheel onbegrijpelijk, onaanvaardbaar is. Wanneer de inrichting van de weg ontoereikend is om de verkeersstroom aan te kunnen, is het aan de wegbeheerder om de nodige maatregelen te treffen, eventueel door het door de betrokkene voorgestane gebruik van de vluchtstrook toe te staan. De oplossing kan niet worden gevonden in een met de geldende verkeersregelgeving strijdig gebruik van de vluchtstrook op eigen initiatief van de weggebruiker. Van enig gedoogbeleid ter zake is - anders dan de betrokkene kennelijk meent - geen sprake. De enkele omstandigheid dat wellicht veel vergelijkbare gedragingen om welke reden ook onbestraft blijven, brengt - wat daar verder ook van zij - niet mee dat in het onderhavige geval van de sanctie moet worden afgezien. Het hof ziet evenmin aanleiding om het bedrag van de sanctie te matigen.
3.7. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Weenink en Van Wagtendonk, in tegenwoordigheid van De Ruijter als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.