4.3 Vorenstaande brengt met zich dat het voor derden trainen van paarden in de discipline dressuur niet kan worden gerangschikt onder artikel 9, lid 2, aanhef en onder a, van de Wet OB en post b 16 van tabel I, behorende bij de Wet OB (de oplevering van roerende zaken als bedoeld in onderdeel a [paarden] door degene die de zaken heeft vervaardigd), zodat het algemene en niet het verlaagde tarief van toepassing is op deze prestatie.
4.4 In het arrest van 1 april 2004, nr. C-320/02 (Stenholmen) heeft het HvJ - in een zaak waarin de toepassing van de gebruikte-goederenregeling aan de orde was - beslist dat bij de levering van een tot rijpaard opgefokt veulen, sprake is van de levering van een gebruikt goed. Dit arrest had naar de opvatting van de Staatssecretaris van Financiën tot gevolg dat, ingeval fokken en/of trainen van dieren in opdracht van derden geschiedt, voor de heffing van de omzetbelasting sprake is van een dienst die onderworpen is aan het algemene tarief. Omdat dergelijke prestaties in de Nederlandse rechtspraktijk doorgaans werden aangemerkt als de oplevering van roerende zaken, kon op grond van post b 16 van tabel I voor bepaalde dieren het verlaagde tarief worden toegepast. Door voormeld arrest was dit niet langer mogelijk. Omdat de Staatssecretaris dit voor de agrarische sector een ongewenste situatie vond heeft hij, vooruitlopend op een wettelijke maatregel, bij besluit van 26 januari 2005, nr. CPP2004/2800M, goedgekeurd dat prestaties die als gevolge van meergenoemd arrest vanaf 1 april 2004 aan het algemene tarief werden onderworpen, vooralsnog belast konden blijven tegen het verlaagde tarief. In wetsvoorstel 30 061 werd voorzien in een nieuwe post b 19 van tabel I dat het verlaagde tarief regelt voor het opfokken van de in post a 4 bedoelde dieren. Besluit CPP2004/2800M is ingetrokken met ingang van 15 juni 2006.
4.5 Naar het oordeel van het hof ziet voornoemd besluit niet op de onderhavige situatie. Belanghebbendes onder 3.1.a vermelde prestatie werd immers - anders dan het africhten van een jong paard tot een getraind paard - in de Nederlandse rechtspraktijk niet doorgaans aangemerkt als de oplevering van een roerende zaak. Evenmin kan gezegd worden dat deze prestatie het (op)fokken van dieren betreft. Aan voornoemd besluit kan belanghebbende dan ook niet het vertrouwen ontlenen dat haar onder 3.1.a vermelde prestaties onder het verlaagde tarief vallen.
4.6 Gelet op de onder 2.4 vermelde toezegging van inspecteur is de teruggaaf tot een te laag bedrag verleend. Uitgaande van de juistheid van de door belanghebbende in haar brief van 20 februari 2003 vermelde omzetcijfers, welke cijfers door de inspecteur niet zijn betwist, kan de teruggaaf als volgt worden berekend:
omzetbedrag belastingbedrag
belast met 19% € 742,- € 141,-
belast met 19%
(20% x € 6.836,-) € 1.367,- € 260,-
belast met 6%
(80% x € 6.836,-) € 5.469,- € 328,-.
De totaal verschuldigde omzetbelasting over het eerste kwartaal 2002 bedraagt dan € 729,-. De voorbelasting bedraagt € 847,-, zodat belanghebbende recht heeft op een teruggaaf van € 118,-. Omdat zij reeds een bedrag van € 16,- heeft ontvangen, zal het hof een aanvullende teruggaaf verlenen van € 102,-.
4.7 Partijen verschillen nog van mening over het antwoord op de vraag of de prestaties bestaande uit de stalling en verzorging van de paarden opgaan in de onder 3.1.a vermelde prestatie of als afzonderlijke diensten moeten worden aangemerkt. Voor zover deze prestaties als één dienst hebben te gelden, zal deze gelet op vorenoverwogene belast zijn naar het algemene tarief zodat dit niet tot een hogere teruggaaf kan leiden dan onder 4.6 berekend. Evenmin is gesteld of gebleken dat het - door de inspecteur voorgestane - aanmerken als drie afzonderlijke prestaties tot een voor belanghebbende hogere teruggaaf leidt dan hiervoor berekend. Het hof zal deze vraag wegens gebrek aan belang dan ook onbeantwoord laten.
4.8 Gelet op het onder 4.6 overwogene is het gelijk aan de zijde van belanghebbende.