ECLI:NL:GHLEE:2008:BC5377

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
27 februari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
600201
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Mollema
  • Zuidema
  • Breemhaar
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:670 lid 1 BWArt. 7:681 lid 2 BWArt. 7:685 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Kennelijk onredelijk ontslag wegens voorgewende reden en bedrijfseconomische omstandigheden

In deze zaak stond de vraag centraal of het ontslag van appellant door Drenth Verven kennelijk onredelijk was. Het hof stelde vast dat de ontslagvergunning was aangevraagd onder een voorgewende reden, aangezien er sprake was van een voorgenomen integratie en overdracht van onderneming die niet volledig aan het CWI was meegedeeld. Hierdoor werd het ontslag als kennelijk onredelijk aangemerkt.

Daarnaast onderzocht het hof of de gevolgen van het ontslag voor appellant, mede gezien zijn langdurig dienstverband, leeftijd en beperkte voorzieningen, te ernstig waren in verhouding tot het belang van Drenth Verven bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Het hof was het met appellant eens dat dit het geval was.

De zaak betrof ook de vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding. Het hof verwierp het gebruik van de kantonrechtersformule voor deze situatie en stelde de vergoeding vast op € 13.500 bruto, rekening houdend met de omstandigheden van het geval.

Tot slot vernietigde het hof het eerdere vonnis en veroordeelde Drenth Verven tot betaling van deze schadevergoeding en de proceskosten in beide instanties.

Uitkomst: Drenth Verven is veroordeeld tot betaling van € 13.500 bruto schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag.

Uitspraak

Arrest d.d. 27 februari 2008
Rolnummer 0600201
HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN
Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:
[appellant],
wonende te [woonplaats appellant],
appellant,
in eerste aanleg: eiser,
hierna te noemen: [appellant],
procureur: mr. A.M. Boogaart,
tegen
Drenth Verven B.V.,
gevestigd te Winschoten,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna te noemen: Drenth Verven,
procureur: mr. P.R. van den Elst.
De inhoud van het tussenarrest d.d. 20 juni 2007 wordt hier overgenomen.
Het verdere procesverloop
Ingevolge het genoemde tussenarrest heeft Drenth Verven een akte houdende overlegging producties d.d. 8 augustus 2007 genomen, waarop [appellant] met een antwoordakte heeft gereageerd.
Vervolgens hebben partijen de stukken wederom overgelegd en heeft het hof een dag bepaald voor het wijzen van arrest.
De verdere beoordeling
Met betrekking tot de vaststaande feiten:
1. Voorts is in hoger beroep het volgende komen vast te staan:
(i) Tussen [betrokkene], Nelf Lakfabrieken B.V., [betrokkene 1] en Nelfkoop Holding B.V. enerzijds en [betrokkene 2], Drenth Verven en Luiken Vastgoed B.V. anderzijds is een akte d.d. 24 maart 2004 (prod. 9 bij akte houdende overlegging d.d. 8 augustus 2007) opgemaakt. In die akte, die hierna zal worden genoemd de Akte, wordt Nelfkoop Holding B.V. als de vennootschap respectievelijk Drenth Verven als Drenth Verven aangeduid.
(ii) De Akte vermeldt onder meer:
'Gefaseerde integratie
Artikel 1
Partijen verklaren hierbij te zijn overeengekomen de activiteiten van de vennootschap en van Drenth Verven gefaseerd te integreren door:
(…);
2 een overdracht van de activiteiten van Drenth Verven aan de vennootschap als verder geregeld in artikel 7 van Pro deze overeenkomst.
(…)
Overname activiteiten naar de vennootschap
Artikel 7
1. De verffabricageactiviteiten van Drenth Verven worden ingebracht in de vennootschap als agio op de aandelen B via een activa/passiva transactie, op grond waarvan immateriële activa (als handelsnaam, receptuur, klantenbestanden en octrooien) alsmede duurzame activa, voorraden, handelsdebiteuren aan de vennootschap zullen worden overgedragen en de handelscrediteuren door de vennootschap zullen worden overgenomen. (…).
2. Partijen hebben in onderling overleg de waarde voor de in lid 1 omschreven en in te brengen activiteiten bepaald op €620.000.
3. Op dit moment lopen procedures op basis waarvan de arbeidsovereenkomsten van een aantal werknemers van Drenth Verven zullen worden beëindigd. Zodra deze procedures zijn afgerond en vaststaat op welk moment de bedoelde arbeidsovereenkomsten zullen eindigen, zal de overdracht c.s. overname als bedoeld in lid 1 contractueel worden uitgevoerd. Maximaal zeven - partijen overigens genoegzaam bekende - werknemers van Drenth Verven zullen uit hoofde van de daartoe strekkende bepalingen van rechtswege op dezelfde voorwaarden in dienst komen van de vennootschap.'
Voorts met betrekking tot de overige grieven:
2. Gelijk in r.o. 10 van het genoemde tussenarrest door het hof is overwogen, stelt [appellant] zich op het standpunt dat het litigieuze ontslag kennelijk onredelijk is, omdat dit volgens hem is geschied onder opgave van een valse of voorgewende reden dan wel omdat, mede in aanmerking genomen de voor hem getroffen voorzieningen en de voor hem bestaande mogelijkheden ander passend werk te vinden, de gevolgen van de opzegging voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van Drenth Verven daarbij (art. 7:681 lid 2 onder Pro a respectievelijk b BW).
3. Het hof zal thans in de eerste plaats de juistheid onderzoeken van de stelling van [appellant], dat het litigieuze ontslag is geschied onder opgave van een valse of voorgewende reden.
4. Bij het genoemde tussenarrest heeft het hof Drenth Verven onder meer in de gelegenheid gesteld om de Akte in het geding te brengen en van een toelichting te voorzien. Het hof moet constateren dat Drenth Verven weliswaar enige toelichting op de Akte bij de akte d.d. 8 augustus 2007 heeft gegeven, maar daarbij elke toelichting achterwege heeft gelaten ten aanzien van art. 7 van Pro de Akte in verbinding met de in r.o. 3 onder (iii) van het genoemde tussenarrest weergegeven motivering van haar verzoek aan de CWI tot een afgifte van een ontslagvergunning ten aanzien van [appellant].
5. Uit het bepaalde in art. 7 leden Pro 1 en 3 jo. art. 1 aanhef Pro en onder 2 van de Akte leidt het hof af dat Drenth Verven en Nelfkoop Holding B.V. bij het opmaken van de Akte een overdracht van een gedeelte van de door Drenth Verven geëxploiteerde onderneming voor ogen stond en dat die overdracht zou plaatsvinden, zodra een afslanking van het over te dragen gedeelte van de onderneming wat het personeelsbestand betreft was doorgevoerd. Aangezien een toelichting door Drenth Verven ten aanzien van art. 7 leden Pro 1, en 3 jo. art. 1 aanhef Pro en onder 2 van de Akte, die van 24 maart 2004 dateert, ontbreekt, moet het hof het ervoor houden dat van een voorgenomen overdracht reeds sprake was ten tijde van het indienen van het verzoek tot afgifte van een ontslagvergunning ten aanzien van [appellant] door Drenth Verven bij de CWI op 10 december 2003, nu in de motivering van dat verzoek ervan wordt gerept dat in overleg met verffabrikant [betrokkene 1] te [vestigingsplaats] besloten is de productie naar Marrum over te brengen, alsmede de eerder genoemde afslanking van het personeelsbestand zijdens Nelfkoop Holding B.V. als voorwaarde voor de overdracht is gesteld.
6. Nu de voorgenomen integratie waarvan in de Akte wordt gerept, minst genomen de vraag oproept of er sprake is van een overgang van onderneming in de zin van art. 7:670 lid 1 BW Pro, en over die beoogde integratie geen openheid van zaken wordt gegeven in het verzoek aan de CWI, is het hof van oordeel dat de ontslagvergunning is gevraagd en verkregen onder opgave van een voorgewende reden, zodat het ontslag uit dien hoofde als kennelijk onredelijk moet worden aangemerkt.
7. Ten overvloede zal het hof de juistheid onderzoeken van de stelling van [appellant] dat het litigieuze ontslag kennelijk onredelijk is omdat, mede in aanmerking genomen de voor hem getroffen voorzieningen en de voor hem bestaande mogelijkheden ander passend werk te vinden, de gevolgen van de opzegging voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van Drenth Verven daarbij. Het hof is met [appellant] van oordeel dat zulks het geval is. Bij dit oordeel heeft het hof in aanmerking genomen het langdurig dienstverband van [appellant] met Drenth Verven, de in verband met diens leeftijd moeilijke positie op de arbeidsmarkt, alsmede de voor hem getroffen uiterst sobere voorziening enerzijds en het belang van Drenth Verven bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst uit hoofde van de bedrijfseconomische positie waarin zij destijds verkeerde.
8. Resteert thans de hoogte vast te stellen van de aan [appellant] toe te kennen schadevergoeding wegens het kennelijk onredelijke ontslag.
9. In dit verband stelt het hof voorop, dat - anders dan [appellant] ingang tracht te doen vinden - voor het bepalen van de hoogte van bedoelde schadevergoeding de zogenaamde kantonrechtersformule toepassing mist. Deze formule maakt onderdeel uit van een aantal aanbevelingen van de vergadering van de Kring van kantonrechters met het oog op gedingen, als bedoeld in art. 7:685 BW Pro. Deze aanbevelingen strekken er derhalve niet toe een maatstaf aan te reiken voor een schadevergoeding in geval van een kennelijk onredelijke opzegging. De kantonrechtersformule hanteert bij de bepaling van de hoogte van een ingevolge art. 7:685 BW Pro toe te kennen vergoeding drie factoren, te weten de hoogte van het laatst genoten loon, de duur van het dienstverband in relatie tot de leeftijd van de werknemer en een derde factor. Van deze derde factor is de hoogte afhankelijk van de waardering van alle overige omstandigheden van het geval. Hierbij worden derhalve ook de omstandigheden dat de arbeidsovereenkomst op korte termijn kan worden beëindigd, en dat het verzoek tot ontbinding kan worden ingetrokken, in aanmerking genomen. Bovendien ontbreekt ten aanzien van een door de kantonrechter gegeven ontbindingsbeschikking de mogelijkheid van hoger beroep. Deze omstandigheden doen zich in geval van een opzegging die als kennelijk onredelijk moet worden aangemerkt, niet voor. De kantonrechtersformule kan daarom niet als maatstaf dienen voor de hoogte van een ingevolge art. 7:681 BW Pro toe te kennen schadevergoeding.
10. Het is de taak van de rechter om, rekening houdend met de omstandigheden van het geval, de schadevergoeding vast te stellen. Voor deze taak staat de rechter geen rekenkundige formule, ook geen andere dan de eerdergenoemde kantonrechtersformule, ter beschikking. De rechter zal zijn beslissing dienen te motiveren door het noemen van de in aanmerking te nemen omstandigheden zonder dat van hem verlangd kan worden elke omstandigheid afzonderlijk op geld te waarderen.
11. Gelet op het langdurig dienstverband van [appellant] met Drenth Verven, de in verband met diens leeftijd moeilijke positie op de arbeidsmarkt, de door het ontslag veroorzaakte terugval in inkomen voor [appellant], het sociaal plan alsmede de bedrijfseconomische positie van Drenth Verven, is het hof van oordeel dat de aan [appellant] toe te kennen schadevergoeding is vast te stellen op € 13.500,-- bruto.
12. De overige grieven treffen derhalve doel.
Slotsom
13. Het bestreden vonnis dient te worden vernietigd. Opnieuw rechtdoende moet Drenth Verven tot betaling van een bedrag van € 13.500,-- bruto worden veroordeeld. Drenth Verven moet als de in het ongelijk te stellen partij worden aangemerkt en als zodanig in de kosten van het geding in eerste aanleg en die van het geding in hoger beroep worden veroordeeld. De kosten van het geding in eerste aanleg zijn te begroten volgens het liquidatietarief voor de sector kanton (tarief >10.000 en < 20.000, 2 pt. à € 300,--), de kosten van het geding in hoger beroep volgens het liquidatietarief voor de hoven (tarief II; 2 pt. à € 894,--).
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep
en opnieuw rechtdoende:
veroordeelt Drenth Verven tot betaling van een bedrag van € 13.500,-- bruto aan schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag;
veroordeelt Drenth Verven in de kosten van het geding in beide instanties en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant]:
in eerste aanleg op € 277,60 aan verschotten en € 600,-- aan salaris voor de gemachtigde,
in hoger beroep op € 332,87 aan verschotten en € 1.788,-- aan salaris voor de procureur;
verklaart bovenstaande veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het anders of meer gevorderde.
Aldus gewezen door mrs. Mollema, voorzitter, Zuidema en Breemhaar, raden,
en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 27 februari 2008 in bijzijn van de griffier.