ECLI:NL:GHLEE:2008:BC5918

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
5 maart 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
600253
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Mollema
  • Kuiper
  • Hidma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 164 lid 2 Rv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling aansprakelijkheid en bewijs in faillissementskwestie levering kozijnen

In deze civiele zaak stond de vraag centraal of geïntimeerde Euro Kozijn B.V. op 19 september 2003 al niet in staat was om de op 15 augustus 2003 bestelde pui en raamkozijnen te leveren inclusief montage, en of appellant daardoor schade heeft geleden.

Partijen hebben getuigen gehoord en verklaringen afgelegd in enquête en contra-enquête. Het hof concludeert dat de verklaringen van getuigen in contra-enquête de stelling van geïntimeerde ondersteunen dat het opzeggen van het bankkrediet en het daarop volgende faillissement onverwachts kwam. Hierdoor is niet komen vast te staan dat op 19 september 2003 duidelijk was dat levering niet mogelijk zou zijn.

Appellant stelde dat het nalaten van geïntimeerde om crediteuren direct te informeren over het naderende faillissement een zelfstandige grond vormde voor privéaansprakelijkheid, maar het hof verwierp deze redenering.

De bewijsopdracht is door appellant niet voldoende nagekomen, mede omdat de getuigenverklaringen van zijn echtgenote en dochter onvoldoende sterk en essentieel waren om zijn verklaring geloofwaardig te maken.

Het hof bekrachtigt het vonnis waarvan beroep en veroordeelt appellant in de kosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vorderingen van appellant af met kostenveroordeling.

Uitspraak

Arrest d.d. 5 maart 2008
Rolnummer 0600253
HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN
Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:
[appellant],
wonende te [woonplaats en -gemeente appellant],
appellant,
in eerste aanleg: eiser,
hierna te noemen: [appellant],
toevoeging,
procureur: mr. J.V. van Ophem,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats en -gemeente geïntimeerde],
geïntimeerde,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna te noemen: [geïntimeerde],
procureur: mr. J.B. Dijkema.
De inhoud van het tussenarrest d.d. 22 augustus 2007 wordt hier overgenomen.
Het verdere procesverloop
Ter voldoening aan de hem bij het hiervoor bedoelde tussenarrest gegeven bewijsopdracht heeft [appellant] zelf een verklaring afgelegd en heeft hij zijn echtgenote [de echtgenote] alsmede hun beider dochter [de dochter], als getuige doen horen. In contra-enquête heeft [geïntimeerde] zelf een verklaring afgelegd en zijn ex-zwager [de ex-zwager] (oud directeur algemene zaken bij de firma [geïntimeerde]) als getuige doen horen.
De eveneens bij bedoeld tussenarrest bevolen comparitie van partijen is gehouden.
Van een en ander is proces-verbaal opgemaakt.
[appellant] heeft een memorie na (contra)enquête en comparitie genomen, waarop [geïntimeerde] met een antwoord memorie heeft gereageerd.
Vervolgens hebben partijen de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest.
De verdere beoordeling
1. Het hof stelt bij de waardering van het bijgebrachte bewijs voorop dat uit art. 164 lid 2 Rv Pro volgt dat hetgeen door een partij-getuige, op wie de bewijslast rust, is verklaard geen bewijs in zijn/haar voordeel kan opleveren indien geen aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen, dat zij die partij-verklaring (voldoende) geloofwaardig maken.
2. [appellant], die is aan te merken als een partij-getuige in voornoemde zin, heeft verklaard dat hij op de dinsdag (hof: 24 september 2003) voor de woensdag waarop de kozijnen zouden worden geplaatst, rond vijf uur 's middags (hij kwam net van zijn werk) is gebeld door een medewerker van [geïntimeerde], met de mededeling dat er zorg moest worden gedragen voor betaling van 90 % van de factuur, omdat anders de kozijnen niet op het afgesproken tijdstip zouden worden geplaatst. [appellant] weet niet wie hem heeft gebeld.
3. De getuige [appellant]tgenote] verklaart dat de verkoper de dinsdag voorafgaande aan het tijdstip waarop de kozijnen zouden worden geleverd met haar man heeft getelefoneerd. Zij weet echter niet of zij bij dat gesprek aanwezig is geweest.
4. De getuige [de dochter] verklaart van haar ouders te hebben gehoord dat er op die bewuste dinsdag was gebeld met de mededeling dat het geld moest worden overgemaakt.
5. Het hof moet constateren dat de verklaringen van [appellant]tgenote] en [de dochter] met betrekking tot het probandum (te weten dat [appellant] op 23 of 24 september 2003 door een medewerker van [geïntimeerde] is gebeld met het dringende verzoek nog diezelfde dag voor betaling zorg te dragen) niet zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen, dat zij de verklaring op dit punt van [appellant] geloofwaardig maken. De getuige [appellant]tgenote] geeft immers niet aan dat zij zelf getuige is geweest van het door [appellant] bedoelde telefoongesprek, laat staan dat zij de inhoud daarvan heeft kunnen volgen. De verklaring van de getuige [de dochter] maakt duidelijk dat zij haar wetenschap ter zake volledig van haar ouders heeft.
6. [appellant] is er derhalve niet in geslaagd het hem opgedragen bewijs te leveren.
7. Op grond van hetgeen overigens door de getuigen (in enquête en in contra-enquête) is verklaard, het ter comparitie verhandelde en hetgeen partijen bij hun respectievelijke memorie naar voren hebben gebracht, kan geen duidelijk antwoord worden gegeven op de vragen die het hof in zijn tussenarrest van 22 augustus 2007 onder rechtsoverweging 8 heeft opgeworpen. De verklaringen van de in contra-enquête gehoorde getuigen lijken veeleer de stelling van [geïntimeerde] te ondersteunen, dat het opzeggen van het bankkrediet (op 24 september 2003) en het daarop gevolgde faillissement tamelijk onverwachts kwam.
Derhalve is niet komen vast te staan dat het op 19 september 2003 duidelijk was dat [geïntimeerde] Euro Kozijn B.V. de op 15 augustus 2003 bestelde pui en raamkozijnen niet zou kunnen leveren (inclusief montage).
8. [appellant] heeft nog aangevoerd dat het feit dat niemand van de firma [geïntimeerde] eraan heeft gedacht de crediteuren terstond op de hoogte te stellen van het (naderende) faillissement, hetwelk - naar het hof begrijpt - een zelfstandige grond zou opleveren om [geïntimeerde] in privé aansprakelijk te houden voor schade die [appellant] lijdt doordat hij op dinsdag 24 september 2003 een aanbetaling heeft gedaan.
De betreffende redenering van [appellant] vindt geen steun in het recht.
9. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de conclusie dat de grieven geen doel treffen.
De slotsom.
10. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd met veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep (salaris procureur: 2,5 punt tarief II).
De beslissing
Het gerechtshof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak op € 460,-- aan verschotten en € 2.235,-- aan salaris voor de procureur;
verklaart dit arrest voor wat de kostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.
Aldus gewezen door mrs. Mollema, voorzitter, Kuiper en Hidma, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 5 maart 2008 in bijzijn van de griffier.