ECLI:NL:GHLEE:2008:BC8186
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Janse
- Bax-Stegenga
- Zandbergen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aansprakelijkheid bestuurder voor onrechtmatige daad voorafgaand aan faillissement
Appellant vorderde betaling wegens onrechtmatig handelen van geïntimeerde als bestuurder van een BV die failliet ging. Hij stelde dat geïntimeerde bewust verplichtingen was aangegaan terwijl hij wist dat de BV niet zou kunnen betalen, en dat er paulianeuze transacties hadden plaatsgevonden. De rechtbank wees de vorderingen af wegens onvoldoende bewijs. In hoger beroep voerde appellant aan dat geïntimeerde onvoldoende had betwist en dat de curator op basis van administratie tot paulianeus handelen had geconcludeerd.
Het hof oordeelde dat de betwisting van geïntimeerde adequaat was en dat de administratie, ondanks mogelijke tekortkomingen, voldoende was voor de conclusies van de curator. Er waren geen bijzondere omstandigheden om af te wijken van de hoofdregel van artikel 150 Rv Pro omtrent bewijslast. De curator en overige getuigen konden onvoldoende bewijs leveren voor de stellingen van appellant.
Het hof verwierp alle grieven van appellant en bekrachtigde de vonnissen van de rechtbank, met veroordeling van appellant in de proceskosten van het hoger beroep. Het incidenteel appel van geïntimeerde werd niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de vonnissen en wijst de vorderingen van appellant af wegens onvoldoende bewijs voor onrechtmatig handelen van geïntimeerde.