ECLI:NL:GHLEE:2008:BD3137

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
26 maart 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
WAHV 08-00015
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Dijkstra
  • Poelman
  • Weenink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 WAHVArt. 26a WAHV
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep bestuursstrafrechtelijke beschikking wegens niet-stellen zekerheid

Betrokkene stelde hoger beroep in tegen een beschikking van de kantonrechter die het verzet tegen een dwangbevel ongegrond verklaarde. Volgens artikel 26a WAHV is hoger beroep alleen ontvankelijk na zekerheidstelling van het verschuldigde bedrag en betaling van griffierecht.

Betrokkene heeft niet voldaan aan deze voorwaarden, waardoor het hof hem niet-ontvankelijk verklaarde. Het hof kwam daardoor niet toe aan inhoudelijke behandeling van de argumenten.

Wel overwoog het hof dat ondanks de verzetprocedure bezwaren tegen de oorspronkelijke beschikking niet meer aan de orde kunnen komen, voortzetting van inning onder omstandigheden in strijd kan zijn met algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In deze zaak was de kans aanzienlijk dat de sanctie aan een ander dan de gedraging verrichtende persoon was opgelegd, mede vanwege onduidelijkheden over adres en woonplaats.

Het hof gaf het openbaar ministerie daarom in overweging het dossier opnieuw te bestuderen om te bezien of inning niet achterwege zou moeten blijven. De beschikking werd uitgesproken door drie rechters in aanwezigheid van de griffier tijdens een openbare zitting.

Uitkomst: Betrokkene is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het niet stellen van zekerheid en griffierecht.

Uitspraak

WAHV 08/00015
26 maart 2008
CJIB 100345287
Gerechtshof te Leeuwarden
Beschikking
op het hoger beroep tegen de beschikking
van de kantonrechter van de rechtbank Alkmaar
van 19 november 2007
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats]
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft de betrokkene in het verzet tegen de tenuitvoerlegging van een door de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden op
31 mei 2007 uitgevaardigd dwangbevel ongegrond verklaard. De beschikking van de kantonrechter is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beschikking van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling
3.1. Ingevolge artikel 26a, tweede en derde lid, WAHV is degene die hoger beroep heeft ingesteld tegen een beschikking als de onderhavige slechts ontvankelijk in dat beroep na voorafgaande zekerheidstelling van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten en voorts na betaling van het verschuldigde griffierecht.
3.2. Bij brief van 29 november 2007 heeft de griffier van de rechtbank de betrokkene in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na de dag van verzending van zijn mededeling zekerheid te stellen door storting van het verschuldigde bedrag op de rekening van het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden. Tevens is de betrokkene mededeling gedaan van de verplichting om binnen twee weken na de dag van verzending van de mededeling griffierecht te betalen. Uit het dossier blijkt evenwel dat binnen die termijn geen zekerheid is gesteld en evenmin griffierecht is betaald. Gelet hierop dient de betrokkene in het hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard. Derhalve komt het hof niet toe aan een inhoudelijke behandeling van de argumenten van de betrokkene.
3.3. Hoewel in de verzetprocedure de bezwaren tegen de inleidende beschikking niet meer aan de orde kunnen komen, kan onder omstandigheden inning dan wel voortzetting van de inning van de sanctie in strijd komen met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het hof overweegt in dit verband, dat de kans, dat de sanctie is opgelegd aan een ander dan degene die de gedraging heeft verricht, in deze zaak zeer aanzienlijk is. Daargelaten de getuigenverklaringen, die - als te laat overgelegd - in dit stadium van de procedure geen rol meer kunnen spelen, valt op dat blijkens het zaakoverzicht aanvankelijk als woonplaats een (kennelijk niet bestaand) adres en postcode in Erica (Drenthe) is genoteerd en als geboorteplaats van de betrokkene: Emmen en dat kennelijk door middel van de opgegeven (veel voorkomende) naam en de opgegeven geboortedatum het adres [adres] is getraceerd. In aanmerking nemend dat de gedraging betreft: "als bestuurder van een fiets bij nacht/dag indien het zicht slecht is geen voor- en/of achterlicht voeren" te Emmen wekt het bevreemding, dat de betrokkene, die sinds zijn geboorte op voormeld adres in [plaatsnaam] staat ingeschreven, kon worden aangemerkt als betrokkene.
Het hof geeft dan ook met het oog op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur het openbaar ministerie in overweging het dossier opnieuw te bestuderen ten einde te bezien of inning niet achterwege zou dienen te blijven.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Dijkstra, Poelman en Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.