ECLI:NL:GHLEE:2008:BD8854
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep kort geding
- Zuidema
- Breemhaar
- Van Wassenaer van Catwijck
- Rechtspraak.nl
Beoordeling spoedeisend belang bij toewijzing geldvordering in kort geding
In deze zaak stond de vraag centraal of appellant in kort geding een geldvordering bij voorraad toegewezen kon krijgen. Het hof benadrukte dat bij een dergelijke beoordeling niet alleen de aannemelijkheid van de vordering moet worden onderzocht, maar ook het spoedeisend belang en het restitutierisico. De appelrechter heeft een zelfstandige beoordelingsbevoegdheid ten aanzien van het spoedeisend belang.
Appellant stelde dat hij door het uitblijven van loonbetalingen van Binnenhof in financiële problemen was gekomen en spoedeisend belang had bij toewijzing van zijn vordering. Het hof vond deze stellingen onvoldoende aannemelijk onderbouwd. Ook werd meegewogen dat appellant geen haast had gemaakt met het zoeken naar een andere werkkring om zijn schade te beperken.
Het hof concludeerde dat het vereiste spoedeisende belang onvoldoende was aangetoond en wees de vordering van appellant af. Het kortgedingvonnis van de kantonrechter werd bekrachtigd. Appellant werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, die werden begroot op € 254 aan verschotten en € 1.896 aan salaris voor de procureur.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de vordering van appellant af wegens onvoldoende spoedeisend belang.