ECLI:NL:GHLEE:2008:BG1626

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
22 juli 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
108.004.686
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Wagtendonk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 RVV 1990Art. 149, tweede lid, WVW 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie voor niet dragen autogordel ondanks medische klacht en beroep op gelijkheidsbeginsel

De betrokkene werd een administratieve sanctie van €75 opgelegd wegens het niet dragen van een autogordel op 1 mei 2007 op de Provincialeweg N209 te Berkel en Rodenrijs. Hij erkende de gedraging maar voerde aan dat het dragen van de gordel pijnlijk was vanwege een litteken van een operatie. Tevens deed hij een beroep op het gelijkheidsbeginsel, verwijzend naar een televisie-uitzending waarin een man geen sanctie kreeg voor het niet aanlijnen van zijn hond vanwege een medische aandoening van het dier.

Het hof stelde vast dat de overtreding van artikel 59 RVV Pro 1990 onbetwist was. De betrokkene had kunnen verzoeken om ontheffing op grond van artikel 149, tweede lid, Wegenverkeerswet 1994, maar had dit nagelaten. Daarom zag het hof geen reden om de sanctie te matigen of te laten vervallen.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd verworpen omdat het enkele feit dat vergelijkbare of ernstiger gevallen zonder sanctie bleven, geen reden vormt om de sanctie jegens betrokkene te laten vervallen zonder geldige juridische reden. Het hof bevestigde derhalve de beslissing van de kantonrechter.

Uitkomst: De sanctie van €75 voor het niet dragen van de autogordel wordt bevestigd.

Uitspraak

WAHV 108.004.686
22 juli 2008
CJIB 99107126748
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam
van 8 april 2008
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats].
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam genomen beslissing ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling
3.1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 75,- opgelegd ter zake van “als bestuurder of passagier geen gebruik maken van een autogordel”, welke gedraging zou zijn verricht op 1 mei 2007 op de Provincialeweg N209 te Berkel en Rodenrijs.
3.2. De betrokkene ontkent niet dat hij de gedraging heeft verricht. Hij stelt zich op het standpunt -zo begrijpt het hof- dat de gedraging is verricht onder omstandigheden die het opleggen van een administratieve sanctie niet billijken dan wel matiging van die sanctie rechtvaardigen. Daartoe voert de betrokkene aan dat hij die dag de autogordel had afgedaan omdat het op dat moment, vanwege een litteken dat de betrokkene aan een operatie heeft overgehouden, te pijnlijk voor hem was om een gordel te dragen. Voorts doet de betrokkene, naar het hof begrijpt, een beroep op het gelijkheidsbeginsel, waar hij opmerkt dat hij op televisie een programma heeft gezien, waarin verslag werd gedaan van een geval dat aan een man, die zijn hond niet had aangelijnd omdat het dier door een gezwel in de nek daarvan pijn ondervond, geen sanctie werd opgelegd.
3.3. De gedraging betreft een overtreding van artikel 59, eerste lid, eerste volzin, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) dat luidt als volgt: "Bestuurders van een motorvoertuig of een bromfiets en hun passagiers maken gebruik van de voor hen beschikbare autogordel.".
3.4. Mede omdat de betrokkene niet betwist dat hij zonder autogordel heeft gereden, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht.
3.5. Ten aanzien van het standpunt van de betrokkene dat de sanctie op nihil gesteld moet worden dan wel dient te worden gematigd, overweegt het hof dat ingevolge artikel 149, tweede lid, Wegenverkeerswet 1994 door de minister van Verkeer en Waterstaat ontheffing kan worden verleend van het gebod om autogordels te gebruiken. De betrokkene had derhalve om een ontheffing kunnen vragen. Nu hij dit heeft nagelaten, komt dit voor zijn rekening en risico. Het hof ziet daarom in hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding om de opgelegde sanctie op nihil te stellen dan wel om deze te matigen.
3.6. Voor zover de betrokkene een beroep heeft gedaan op het gelijkheidsbeginsel, overweegt het hof dat de enkele omstandigheid dat vergelijkbare of zelfs ernstiger gevallen om welke reden dan ook zonder sanctie zijn gebleven, niet meebrengt dat ook de betrokkene daarvan gevrijwaard zou moeten blijven. Immers, van schending van het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van de betrokkene zou slechts dan sprake zijn indien zonder (juridisch) geldige reden ten nadele van de betrokkene zou zijn afgeweken van het met betrekking tot gedragingen als de onderhavige geldende beleid (vgl. Hof Leeuwarden 8 oktober 2003, WAHV 03/598, VR 2004,19). Daarvan is niet gebleken.
3.7. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Wagtendonk, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.