ECLI:NL:GHLEE:2008:BG6570

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
2 december 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
107.002.385/01
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Mollema
  • Verschuur
  • Breemhaar
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 222 RvArt. 332 lid 1 RvArt. 332 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep en afwijzing verzoek tot voeging wegens verknochtheid

In deze civiele procedure heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen twee vonnissen van de kantonrechter te Groningen betreffende verzet tegen door de IBG uitgevaardigde dwangbevelen.

Het hof oordeelt dat tegen het vonnis in de zaak met nummer 317216 CV EXPL 07-1725 geen hoger beroep openstaat op grond van artikel 332 lid 1 Rv Pro, zodat appellant in dat hoger beroep niet-ontvankelijk is. Hierdoor kan het verzoek tot voeging van de twee zaken wegens verknochtheid niet worden gehonoreerd.

In de zaak met nummer 315914 CV EXPL 07-1120 is het hoger beroep wel ontvankelijk omdat het bedrag hoger is dan € 1.750 inclusief rente en invorderingskosten. Het hof veroordeelt appellant in de kosten van het incident en wijst het verzoek tot voeging af. De zaak wordt verwezen naar de rol voor verdere behandeling.

Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht, waarbij appellant het vonnis van de kantonrechter wilde vernietigen en IBG verweer voerde tot niet-ontvankelijkheid van appellant. Het hof volgt IBG in dit standpunt voor één zaak en wijst het verzoek tot voeging af.

Uitkomst: Appellant is niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep tegen één vonnis en het verzoek tot voeging is afgewezen.

Uitspraak

Arrest d.d. 2 december 2008
Zaaknummer 107.002.385/01
HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN
Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in het incident tot voeging wegens verknochtheid (ex art. 222 Rv Pro) in de zaken (welke onder de nummers 315914 CV EXPL 07-1120 en 317216 CV EXPL 07-1725 hebben gediend bij de rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Groningen), alsmede in de hoofdzaken van:
[appellant],
wonende te [woonplaats appellant],
appellant in de hoofdzaak, verzoeker in het incident,
in eerste aanleg: eiser,
hierna te noemen: [appellant],
toevoeging,
advocaat: mr. W. Winkel, kantoorhoudende te Drachten,
tegen
Informatie Beheer Groep,
gevestigd te Groningen,
geïntimeerde in de hoofdzaak, verweerster in het incident,
hierna te noemen: IBG,
advocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudende te Leeuwarden.
Het geding in eerste instantie
In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen in beide zaken respectievelijk uitgesproken op 1 augustus 2007 en 26 september 2007 door de rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Groningen (verder aan te duiden als: de kantonrechter).
Het geding in hoger beroep
Bij exploot van 18 december 2007 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van beide genoemde vonnissen met dagvaarding van IBG tegen de zitting van 30 januari 2008.
Het petitum van de appeldagvaarding, welke tevens een vordering tot voeging behelst, luidt:
''A. De twee zaken waarin van de genoemde vonnissen van de rechtbank te Groningen hoger beroep wordt ingesteld, wegens verknochtheid gevoegd zullen worden behandeld op de voet van artikel 222 BRV Pro.
B. In de twee bovengenoemde zaken, het destijds gedane verzet gegrond wordt verklaar en opnieuw rechtdoende de vorderingen van geïntimeerde worden afgewezen.
met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instantiën.''
[appellant] heeft, onder overlegging van een productie, de memorie van grieven genomen, met als conclusie:
''dat de vonnissen door de rechtbank te Groningen op 26 september 2007, in beide zaken gewezen, zullen worden vernietigd en opnieuw rechtdoende het verzet gegrond te verklaren met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instantiën.''
Door IBG is, onder overlegging van producties, bij incidentele memorie verweer gevoerd in het incident met als conclusie:
''dat het hof [appellant] in zijn vorderingen niet ontvankelijk dient te verklaren en hem dient te veroordelen in de proceskosten.''
[appellant] heeft een incidentele antwoord memorie genomen met als conclusie:
''appellant in zijn hoger beroep ontvankelijk verklaard dient te worden en de incidentele vorderingen van geïntimeerde dient te worden afgewezen met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van het incident.''
Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest in het incident.
De beoordeling
In het incident ex artikel 222 Rv Pro en in de hoofdzaak:
1. Het verzoek betreft de voeging wegens verknochtheid van beide zaken, waarvan bij een dagvaarding hoger beroep is ingesteld.
2. Van eventuele voeging kan slechts sprake zijn indien [appellant] in beide zaken waarvan appel ontvankelijk is in zijn hoger beroep.
3. De zaak welke bij de rechtbank heeft gediend onder nummer 317216 CV EXPL 07-1725 betreft het verzet tegen een door de IBG uitgevaardigd dwangbevel voor een bedrag (inclusief rente en invorderingskosten) van € 162,27. Tegen de in die zaak door de kantonrechter gegeven beslissing staat (krachtens het bepaalde in artikel 332 lid 1 Rv Pro) geen hoger beroep open, zodat [appellant] in dat beroep niet kan worden ontvangen. Anders dan [appellant] betoogt is de zogenaamde optelregel niet van toepassing, nu van objectieve cumulatie (in de zin van artikel 332 lid 2 Rv Pro) geen sprake is. Beide zaken zijn immers apart bij de kantonrechter aangebracht en daarop is bij aparte vonnissen beslist.
4. De zaak welke bij de rechtbank heeft gediend onder nummer 315914 CV EXPL 07-1120 betreft het verzet tegen een door de IBG uitgevaardigd dwangbevel voor een bedrag (inclusief rente en invorderingskosten) van € 1.784,19 . Tegen dat vonnis staat wel hoger beroep open nu het daarbij gaat om een bedrag hoger dan € 1.750,--. Anders dan de IBG betoogt tellen voor het bepalen van de appellabiliteit immers ook de reeds verschenen rente en de invorderingskosten mee.
Slotsom
5. [appellant] zal niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn hoger beroep tegen de zaak met rechtbank nummer 317216 CV EXPL 07-1725, met veroordeling in de kosten in die procedure (te begroten op de helft van de tot nu toe in totaal in de hoofdzaak gemaakte kosten). Nu in appel slechts één zaak resteert, dient het verzoek tot voeging wegens verknochtheid te worden afgewezen. [appellant] zal worden veroordeeld in de kosten van het incident.
In het appel betreffende de zaak met rechtbank nummer 315914 CV EXPL 07-1120 vindt verwijzing naar de rol plaats teneinde voort te procederen in de hoofdzaak.
Beslissing
In het incident ex artikel 222Rv en in de hoofdzaak:
Het gerechtshof:
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep voor zover gericht tegen de vonnissen van de kantonrechter te Groningen in de zaak met nummer 317216 CV EXPL 07-1725;
veroordeelt [appellant] in de kosten van die procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de IBG begroot op € 125,50 aan verschotten en op nihil aan geliquideerd salaris voor de advocaat;
wijst het verzoek tot voeging ex artikel 222 Rv Pro af;
veroordeelt [appellant] in de kosten van dat incident, tot op heden begroot op € 316,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;
verwijst de zaak voor wat betreft het appel gericht tegen de vonnissen van de kantonrechter te Groningen in de zaak met nummer 315914 CV EXPL 07-1120 naar de rol van dinsdag 20 januari 2009 voor voortprocederen (memorie van antwoord).
Aldus gewezen door mr. Mollema, voorzitter en mrs. Verschuur en Breemhaar, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 2 december 2008 in bijzijn van de griffier.