ECLI:NL:GHLEE:2008:BH9021

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
28 oktober 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
108.004.790
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Wagtendonk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WAHVRegeling meetmiddelen politieAanwijzing snelheidsovertredingen en snelheidsbegrenzers
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie voor overschrijding maximumsnelheid ondanks verweren over meetapparatuur en staandehouding

De betrokkene kreeg een administratieve sanctie van €224 opgelegd wegens een snelheidsovertreding van 39 km/u op de Rijksweg A7 te Abbekerk op 26 april 2007. De betrokkene, vertegenwoordigd door een gemachtigde, stelde onder meer dat de sanctie onterecht aan de kentekenhouder was opgelegd, dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding was geweest, en dat de meetapparatuur niet voldeed aan de wettelijke eisen.

Het hof oordeelde dat het gelijkheidsbeginsel niet was geschonden, ook niet door eerdere afwijkende beslissingen in andere zaken. De verklaring van de verbalisant dat staandehouding niet mogelijk was omdat het voertuig te hard reed, werd als voldoende bewijs gezien dat de sanctie terecht aan de kentekenhouder kon worden opgelegd. De veronderstelling dat de meetapparatuur een NMI-certificaat moest hebben, bleek onjuist; standaardsnelheidsmeters in politievoertuigen zijn hiervan uitgezonderd.

Verder bleek uit het ijkrapport dat de boordsnelheidsmeter correct was geijkt en het certificaat geldig was. De meting was volgens het hof conform de richtlijnen uitgevoerd en de waarneming van de verbalisant werd geloofwaardig geacht. Het hof bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek tot proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de administratieve sanctie voor snelheidsovertreding en wijst het beroep af.

Uitspraak

WAHV 108.004.790
28 oktober 2008
CJIB 69107241590
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Alkmaar
van 24 april 2008
betreffende
[betrokkene]
(hierna te noemen: betrokkene),
gevestigd te [vestigingsplaats],
voor wie als gemachtigde optreedt
mr. C.M.J.E.P. Meerts,
kantoorhoudende te Beegden.
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Alkmaar genomen beslissing ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.
De advocaat-generaal heeft een reactie gegeven op de nadere toelichting op het beroep.
3. Beoordeling
3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 224,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximum snelheid op autosnelwegen, met 39 km/h”, welke gedraging zou zijn verricht op 26 april 2007 op de Rijksweg A7 te Abbekerk, met het voertuig met kenteken [AB-00-AB].
3.2. De gemachtigde van de betrokkene doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Hij voert daartoe aanvullend aan dat de officier van justitie in het jaar 2007 steevast het beleid heeft gevoerd dat een sanctie werd vernietigd indien in het beroepschrift werd aangegeven dat aan een handelsnaam geen sanctie kon worden opgelegd. De gemachtigde merkt hierbij op dat bovendien tussen partijen in confesso is, althans in het jaar 2007, dat dit standpunt, dat aan een vennootschap onder firma geen beschikking kan worden opgelegd, juist is. Voorts voert de gemachtigde aan dat de kantonrechter ten onrechte niet is ingegaan op de verweren die hij in eerste aanleg naar voren heeft gebracht en die inhouden dat er ten onrechte geen staandehouding heeft plaatsgevonden, dat de beschikking ten onrechte aan de kentekenhouder is opgelegd, dat de meetapparatuur niet volgens de aanwijzing is goedgekeurd door het NMI en dat de meting niet conform de richtlijnen van de aanwijzing heeft plaatsgevonden. De gemachtigde van de betrokkene ziet graag dat deze verweren alsnog worden behandeld.
3.3. Het algemene beroep op het gelijkheidsbeginsel is door de gemachtigde in vele zaken aan het hof voorgelegd en in even zovele zaken verworpen. Nu de gemachtigde geacht moet worden aan de betrokkene uiteen te kunnen zetten wat de opvatting van het hof dienaangaande is, vergt het belang van de betrokkene niet meer dat de verwerping van dit verweer opnieuw wordt gemotiveerd.
3.4. De daarnaast nog aangevoerde omstandigheid, dat in eerdere zaken op grond van de door de gemachtigde geponeerde onjuiste opvatting inleidende beschikkingen door de CVOM zijn ingetrokken of door kantonrechters zijn vernietigd, maakt niet dat in de onderhavige zaak het gelijkheidsbeginsel zou zijn geschonden, reeds niet omdat de betrokkene in deze zaak een B.V. is.
3.5. Ten aanzien van het verweer met betrekking tot de staandehouding en het bekeuren op kenteken, overweegt het hof als volgt. Artikel 5 WAHV Pro bepaalt - voor zover hier van belang - dat indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. Deze bepaling moet aldus worden verstaan dat ingeval zich een reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het motorrijtuig, waarmee de geconstateerde gedraging is verricht, voordoet, die bepaling buiten toepassing dient te blijven en de sanctie aan die bestuurder dient te worden opgelegd.
3.6. In het zaakoverzicht wordt verwezen naar het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2007, waarin de verbalisant, voor zover hier van belang, verklaart: "Ik was echter niet in staat om de BMW voorbij te gaan en deze een stopteken te geven omdat deze daarvoor te hard reed." Naar het oordeel van het hof houdt deze verklaring genoegzaam in dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan. In een dergelijk geval is volgens vaste jurisprudentie van het hof staandehouding niet vereist. Voorts brengt het gegeven dat staandehouding niet mogelijk was mee dat het evenmin mogelijk was om aanstonds vast te stellen wie de bestuurder was van het voertuig waarmee of door middel waarvan de gedraging heeft plaatsgevonden. Derhalve kon, ingevolge het hiervoor vermelde artikel 5 WAHV Pro, de administratieve sanctie worden opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. Het hof zal daarom voorbij gaan aan het verweer dat hieromtrent is gevoerd.
3.7. Ten aanzien van het verweer met betrekking tot de meetapparatuur overweegt het hof het volgende. Zoals de advocaat-generaal in zijn reactie op de nadere toelichting van de gemachtigde aangeeft, berust de veronderstelling van de gemachtigde dat de meetapparatuur waarmee de snelheidsovertreding is vastgesteld voorzien moet zijn van een NMI-certificaat op een onjuiste lezing van de regelgeving. Weliswaar schrijft het, door de gemachtigde overgelegde, eerste artikel van de Regeling meetmiddelen politie voor dat er voor een aantal meetmiddelen een verklaring van goedkeuring door het NMI moet zijn afgegeven, maar bij datzelfde artikel zijn de standaardsnelheidsmeters in politievoertuigen, zoals die waarmee de meting in de onderhavige zaak is verricht, van deze verplichting uitgezonderd.
3.8. Uit het voorgaande volgt derhalve dat voornoemde regeling niet van toepassing is op de boordsnelheidsmeter. In 2.1.1. (IJking boordsnelheidsmeter) van de bij de regeling behorende Aanwijzing staat evenwel dat de goede werking van de boordsnelheidsmeter essentieel is voor de bewijsvoering en dat er daarom in die Aanwijzing voor wat betreft de boordsnelheidsmeter wordt aangesloten bij de bepalingen die gelden voor radarsnelheidscontrolemeters, hetgeen is uitgewerkt in de daarop volgende paragrafen 2.1.2 en 2.1.3. Hieruit volgt onder meer dat de in het dienstvoertuig aangebrachte tabel geijkte boordsnelheidsmeter en het daarbij behorende certificaat geldig is voor de duur van één jaar. Uit het ijkrapport, dat zich in het dossier achter het verweerschrift van de advocaat-generaal bevindt, blijkt dat op de pleegdatum aan de voorwaarden was voldaan. Derhalve is de stelling dat de meting in het onderhavige geval niet conform de richtlijnen van de Aanwijzing heeft plaats gevonden, niet juist, zodat het hof dit betoog verwerpt.
3.9. Ten aanzien van het verweer met betrekking tot de meting overweegt het hof het volgende. De ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht houdt onder meer in dat hij de snelheid heeft vastgesteld door de bestuurder met een gelijkblijvende of vrijwel gelijkblijvende tussenafstand te volgen en dat de overschrijding 39 kilometer per uur bedroeg. De stelling van de gemachtigde dat de meting niet is verricht conform de richtlijnen van de Aanwijzing snelheidsovertredingen, nu de verbalisant niet heeft gerelateerd over het verloop van de tussenafstand en niet de overschrijding in het aantal kilometers heeft vermeld, mist dan ook feitelijke grondslag. Het hof zal daarom aan deze stelling voorbij gaan. Ook overigens ziet het hof geen aanleiding om te veronderstellen dat de meting niet conform de richtlijn is uitgevoerd. Evenmin ziet het hof reden om te twijfelen aan de juistheid van de waarneming van de verbalisant. De enkele stelling van de gemachtigde dat hij het ongeloofwaardig vindt dat de verbalisant het voertuig van de betrokkene met een tussenafstand van 60 meter heeft gevolgd, acht het hof daartoe onvoldoende.
3.10. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, bestaat er geen aanleiding de advocaat-generaal te veroordelen in de proceskosten.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek van de betrokkene om de advocaat-generaal te veroordelen in de proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Wagtendonk, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.