ECLI:NL:GHLEE:2009:BH0372

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
16 januari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
BK 20/08 OZB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 220f lid 8 GemeentewetArt. 8 Verordening onroerende zaakbelastingen 2001Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering heffingsgrondslag gebruikersbelasting verzorgingstehuis na toepassing amendement De Pater

Belanghebbende, gebruikster van een verzorgingstehuis, kreeg voor 2006 een aanslag onroerende zaakbelastingen opgelegd met een heffingsgrondslag van €5.144.554,-. Na bezwaar werd deze grondslag door de heffingsambtenaar verlaagd naar €3.026.190,- op grond van het amendement De Pater, dat vrijstelling verleent voor woondelen van bedrijfspanden.

De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, maar het hof oordeelt anders. Het hof stelt vast dat het amendement De Pater van toepassing is omdat sprake is van vastgesteld beleid dat bestemd was voor publicatie, ook al is onduidelijk of publicatie daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

De discussie over de waardering van het woondeel leidde tot het verschil in heffingsgrondslag. Belanghebbende wilde het woondeel verhogen met een factor 1,3 vanwege een hogere vervangingswaarde per m2, maar het hof acht de onderbouwing van de heffingsambtenaar, gebaseerd op de Bouwkostennota 2006, overtuigend dat de vervangingswaarde van woonruimten niet hoger is dan die van overige ruimten.

Het hof vernietigt daarom de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep gegrond, vermindert de heffingsgrondslag en de belastingaanslag tot €4.359,-, en veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan belanghebbende.

Uitkomst: Het hof vermindert de heffingsgrondslag en belastingaanslag en verklaart het beroep van belanghebbende gegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN
kenmerk: 08/00020
uitspraakdatum: 16 januari 2009
uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
Stichting X, gevestigd te Z,
belanghebbende,
tegen de uitspraak in de zaak nummer AWB 07/86 van de rechtbank Assen (hierna: de rechtbank) van 17 december 2007, in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Assen,
de heffingsambtenaar
1. Ontstaan en loop van het geding
1.1. De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 28 februari 2006 aan belanghebbende voor het jaar 2006 een aanslag onroerende zaakbelastingen opgelegd. Het betreft de gebruikersbelasting voor verzorgingstehuis 'A' aan de a-straat 1 te Z (hierna: het verzorgingstehuis). De aanslag ten bedrage van € 8.515,50 is berekend naar een heffingsgrondslag van € 5.144.554,-.
1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak van 29 november 2006 de heffingsgrondslag verlaagd naar € 3.026.190,- en de belastingaanslag dienovereenkomstig verminderd.
1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft bij de bestreden uitspraak van 17 december 2007 het beroep ongegrond verklaard. Aldaar is geprocedeerd zoals weergegeven in voormelde uitspraak van de rechtbank.
1.4. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld. Het beroepschrift (met bijlagen) is op 28 januari 2008 door het hof ontvangen. Op 17 maart 2008 heeft de heffingsambtenaar een verweerschrift (met bijlage) ingediend.
1.5. Ter zitting van 8 december 2008 heeft het hof het hoger beroep behandeld. Daarbij is namens belanghebbende verschenen haar gemachtigde de heer B (hierna: de gemachtigde) en namens de heffingsambtenaar de heren C en D. De gemachtigde heeft ter zitting een pleitnota voorgelezen en overgelegd.
1.6. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.
2. Feiten
Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende vast.
2.1. Belanghebbende is gebruikster van het verzorgingstehuis. Het verzorgingstehuis wordt voor de onroerende zaakbelastingen aangemerkt als een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient. Als heffingsmaatstaf voor de aanslag gebruikersbelasting is de bij beschikking van 28 februari 2006 vastgestelde waarde van € 5.144.554,- gehanteerd.
2.2. In bezwaar heeft belanghebbende gevraagd om toepassing van artikel 220f, lid 8, van de Gemeentewet (hierna: het amendement De Pater). Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Assen heeft vervolgens op 3 mei 2006 besloten om voor het jaar 2006 uitvoering te geven aan het amendement De Pater door vrijstelling te verlenen voor de onroerende zaakbelastingen wegens het gebruik van woondelen van bedrijfspanden. Dit besluit is -naar ter zitting door de heffingsambtenaar is gesteld- gebaseerd op artikel 8 van Pro de Verordening onroerende zaakbelastingen 2001 (zoals nadien gewijzigd) en diende volgens het 'voorstel ter besluitvorming' op de openbare besluitenlijst te worden geplaatst en te worden bekendgemaakt.
2.3. De heffingsambtenaar heeft ten aanzien van alle relevante bedrijfspanden in de gemeente Assen uitvoering gegeven aan voormeld besluit. Voor belanghebbende heeft dit bij de uitspraak op bezwaar geresulteerd in een vermindering van de heffingsgrondslag tot € 3.026.190,-.
3. Het geschil
3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de heffingsgrondslag voor de gebruikersbelasting voor niet-woningen op een juist bedrag is vastgesteld. Belanghebbende staat een heffingsgrondslag voor van € 1.882.907,- en de heffingsambtenaar gaat uit van een vermindering van de grondslag met 48,8%, zodat een heffingsgrondslag resteert van € 2.634.012,- en een belastingaanslag van € 4.359,-.
3.2. Tussen partijen is niet in geschil dat het percentage 'oppervlakte woondeel' van het verzorgingstehuis 48,8% bedraagt. Belanghebbende wenst de omvang van het woondeel echter te verhogen met de factor 1.3 tot 63,4%, omdat de vervangingswaarde per m2 voor kamers meer bedraagt dan de vervangingswaarde per m2 voor de overige ruimten. Belanghebbende verwijst hierbij naar een eerdere uitspraak van dit gerechtshof. De heffingsambtenaar ontkent dat de vervangingswaarde voor verblijven (woonruimte) per m2 hoger ligt dan die voor andere ruimten. Hij stelt juist het tegendeel en verwijst hierbij naar de Bouwkostennota 2006, opgesteld door het College bouw zorginstellingen (hierna: de Bouwkostennota).
3.4. Voor een uitgebreidere weergave van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.
4. De overwegingen omtrent het geschil
4.1. Gelet op de onder 2.2 vermelde feiten is het hof, anders dan de rechtbank, van oordeel dat belanghebbende zich in onderhavige zaak kan beroepen op toepassing van het amendement De Pater omdat sprake is van vastgesteld beleid, dat voor publicatie bestemd was. De omstandigheid dat -ook ter zitting- onduidelijk is gebleven of publicatie wel heeft plaatsgevonden, rechtvaardigt naar het oordeel van het hof geen andere conclusie. De uitspraak op bezwaar kan daarom niet worden aangemerkt als een ambtshalve vermindering waar geen bezwaar en beroep tegen openstaat.
4.2. Met het overleggen van gegevens uit de Bouwkostennota heeft de heffingsambtenaar naar het oordeel van het hof aannemelijk gemaakt dat de vervangingswaarde per m2 voor verblijven (woonruimte) zeker niet hoger is dan de vervangingswaarde per m2 voor de overige ruimten. Het hof ziet dan ook geen reden om de waarde van het woondeel van het verzorgingstehuis op een hoger percentage te stellen dan het percentage dat kan worden toegerekend aan de 'oppervlakte woondeel', zijnde 48,8%. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de heffingsambtenaar -onvoldoende weersproken- heeft gesteld dat de overgelegde kengetallen van ''AWBZ-voorzieningen, categorie 'licht''' de kengetallen van een verzorgingstehuis betreffen en dat de Bouwkostennota onder 'verblijf' verstaat 'de ruimte waar de bewoner verblijft', waartoe ook behoort de pantry en de sanitaire voorzieningen in het verblijf. Het hof heeft ook geen reden hieraan te twijfelen. De omstandigheid dat het hof in een andere zaak wel een waardeverhogende factor voor het woondeel heeft toegepast, is
-gelet op de door de heffingsambtenaar in onderhavige zaak gegeven onderbouwing- onvoldoende om anders te oordelen.
4.3. In hoger beroep concludeert de heffingsambtenaar tot een vermindering van de belastingaanslag tot € 4.359,- (zie 3.1). Dit brengt met zich dat het hoger beroep gegrond is. Het hof zal de uitspraak van de rechtbank vernietigen en de heffingsgrondslag verminderen.
5. Proceskosten
Het hof ziet aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt het hof vast op € 644,- voor beroep en € 644,- voor hoger beroep.
6. De beslissing
Het gerechtshof
vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
vermindert de belastingaanslag onroerende zaakbelasting, gebruikersdeel voor het verzorgingstehuis, tot op een bedrag van € 4.359,-;
veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 1.288,- en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten aan belanghebbende moet vergoeden; en
gelast dat de Staat der Nederlanden het door belanghebbende betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep van € 709,- in totaal aan haar vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. G.M. van der Meer, voorzitter, mr. J. Huiskes en mr. F.J.W. Drion, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.
De beslissing is op 16 januari 2009 in het openbaar uitgesproken.
Afschrift aangetekend aan partijen verzonden op 21 januari 2009
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.