ECLI:NL:GHLEE:2009:BH2311

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
9 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
24-002871-07
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.M.E. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg
  • S.H. Wachter
  • J.P. van Stempvoort
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Wegenverkeerswet 1994
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van ongeldig rijbewijs bij besturen bedrijfsauto

Verdachte werd beschuldigd van het op 29 september 2006 besturen van een bedrijfsauto terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. De politierechter veroordeelde verdachte, maar deze ging in hoger beroep. Tijdens het hoger beroep was verdachte niet aanwezig, maar werd vertegenwoordigd door zijn raadsman.

Het bewijs bestond uit een proces-verbaal waarin twee verbalisanten hun bevindingen hadden vastgelegd. Eén verbalisant had het proces-verbaal ondertekend met betrekking tot de constatering van het rijden zonder geldig rijbewijs, maar de andere verbalisant, die de identiteit van de bestuurder als verdachte had vastgesteld, had het proces-verbaal niet ondertekend.

Het hof oordeelde dat enkel uit het niet-ondertekende deel van het proces-verbaal niet kon worden afgeleid dat verdachte daadwerkelijk de bestuurder was. Verdachte had geen verklaring afgelegd. Gezien het ontbreken van voldoende bewijs sprak het hof verdachte vrij van de tenlastelegging. Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht door vrijspraak uit te spreken.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat hij op 29 september 2006 met een ongeldig rijbewijs een bedrijfsauto bestuurde.

Uitspraak

Parketnummer: 24-002871-07
Parketnummer eerste aanleg: 17-747278-06
Arrest van 9 februari 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 7 november 2007 in de strafzaak tegen:
[verdachte],
geboren op [1981] te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats], [adres],
thans verblijvende in PI Veenhuizen, gevangenis Bankenbosch te Veenhuizen,
niet ter terechtzitting verschenen. Wel verschenen is de raadsman van verdachte
mr. G.J.P.M. Grijmans, advocaat te Bolsward.
Het vonnis waarvan beroep
De politierechter in de rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot straffen, zoals in dat vonnis omschreven.
Gebruik van het rechtsmiddel
De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.
Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep
De raadsman van verdachte heeft verklaard uitdrukkelijk te zijn gemachtigd verdachte ter terechtzitting te verdedigen.
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken en een geldboete van € 400,-, subsidiair 8 dagen hechtenis.
De beslissing op het hoger beroep
Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 29 september 2006 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, [straat], als bestuurder een motorrijtuig, (bedrijfsauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.
Vrijspraak
Uit een zich in het dossier bevindend proces-verbaal blijkt dat verbalisant [verbalisant 1] heeft geconstateerd dat op 29 september 2006 een persoon in een bedrijfsauto reed op de [straat] te [plaats], terwijl die persoon wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Verbalisant[verbalisant 1] heeft dit proces-verbaal ondertekend voor wat betreft zijn bevindingen.
Uit datzelfde proces-verbaal blijkt dat verbalisant [verbalisant 2] heeft geconstateerd dat de bestuurder van de bedrijfsauto opgaf te zijn [verdachte], geboren op [1981], wonende te [woonplaats]. Verbalisant [verbalisant 2] heeft dit proces-verbaal echter niet ondertekend.
Verdachte heeft noch bij de politie, noch ter terechtzitting van de politierechter of het hof een verklaring afgelegd omtrent hetgeen hem verweten wordt.
Nu enkel uit een niet ondertekend proces-verbaal blijkt dat verdachte degene is geweest die op 29 september 2006 als bestuurder van een bedrijfsauto over de [straat] in [plaats] reed, acht het hof niet bewezen hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.
De uitspraak
HET HOF,
RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:
vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:
verklaart het verdachte ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij.
Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.M.E. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg, voorzitter, mr. S.H. Wachter en mr. J.P. van Stempvoort, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Mulder als griffier, zijnde mr. Van Stempvoort voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.