ECLI:NL:GHLEE:2009:BH3143
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Zuidema
- Breemhaar
- De Hek
- Rechtspraak.nl
Gelijke behandeling mannen en vrouwen in pensioenregeling bij internationale afdeling onderwijs
Appellante was van 1985 tot 1999 als lerares werkzaam bij Maartenscollege op de Internationale Afdeling, waar zij geen pensioenopbouw genoot tussen 1985 en 1991 omdat zij niet als ambtenaar werd aangemerkt. Zij stelde dat dit beleid leidde tot verboden onderscheid op grond van geslacht, omdat meer vrouwen dan mannen werden uitgesloten van pensioenopbouw. De Commissie Gelijke Behandeling (CGB) had eerder geoordeeld dat sprake was van verboden onderscheid.
In eerste aanleg wees de kantonrechter de vorderingen af wegens verjaring. Appellante stelde in hoger beroep dat zij pas rond 2002 bekend was met het onderscheid, waardoor de verjaringstermijn niet was verstreken. Het hof oordeelde dat de stichting onvoldoende had bewezen dat appellante eerder bekend was met het onderscheid, zodat het beroep op verjaring faalde.
Het hof beoordeelde vervolgens de inhoudelijke vordering en stelde vast dat Maartenscollege een objectieve rechtvaardiging had voor het pensioenbeleid, namelijk het beperken van financiële risico's vanwege beperkte subsidie voor de Internationale Afdeling. Hoewel er incidenteel een uitzondering was gemaakt voor een mannelijke docent, deed dit niet af aan het objectieve karakter van het beleid. Het hof volgde het oordeel van de CGB niet en wees de vordering af omdat onvoldoende bewijs was dat sprake was van verboden onderscheid.
De vordering van appellante werd daarom afgewezen en het vonnis van de kantonrechter werd bekrachtigd. Appellante werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: De vordering van appellante wegens verboden onderscheid in pensioenopbouw wordt afgewezen en het vonnis van de kantonrechter wordt bekrachtigd.