ECLI:NL:GHLEE:2009:BH5086

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
6 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
24-000371-08
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17.1 Wet milieubeheerArt. 17.2 Wet milieubeheerArt. 1.1 Wet milieubeheerArt. 8.1 Wet milieubeheerArt. 8.41 lid 2 onder a Wet milieubeheer
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens niet tijdig melden van ongewone milieugevallen zonder milieuschade

Op 8 november 2006 deden zich binnen het bedrijf van verdachte driemaal problemen voor met een menger, waarbij een mengsel van bitumen, superflux en IPP vrijkwam, mogelijk ook in dampvorm. Deze gebeurtenissen werden aangemerkt als ongewone voorvallen volgens de Wet milieubeheer.

Volgens artikel 17.2 juncto artikel 17.1 van de Wet milieubeheer moeten dergelijke ongewone voorvallen, die nadelige milieugevolgen veroorzaken of dreigen te veroorzaken, zo spoedig mogelijk worden gemeld aan het bevoegde bestuursorgaan, in dit geval de Gedeputeerde Staten van de provincie.

Hoewel verdachte deze voorvallen niet of niet tijdig had gemeld, bood het dossier geen bewijs dat er daadwerkelijk milieuschade was ontstaan of dreigde te ontstaan. De rechtbank sprak verdachte daarom vrij van het ten laste gelegde. De officier van justitie ging tegen deze vrijspraak in hoger beroep en vorderde een geldboete.

Het gerechtshof Leeuwarden vernietigde het vonnis en wijzigde de tenlastelegging overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal. Na beoordeling van het bewijs handhaafde het hof de vrijspraak omdat het ontbreken van milieuschade of dreiging daarvan de kern van de wettelijke meldplicht vormt.

Het arrest werd gewezen door de economische kamer van het hof op 6 maart 2009, waarbij het hof het vonnis van de politierechter vernietigde en verdachte definitief vrijsprak van de tenlastelegging.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken omdat geen milieuschade of dreiging daarvan kon worden vastgesteld.

Uitspraak

Arrest van 6 maart 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, economische kamer,
op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Groningen van 3 december 2007 in de strafzaak tegen:
[verdachte],
gevestigd te [vestigingsplaats], [adres],
ter terechtzitting vertegenwoordigd door P. Stel, financieel directeur van verdachte.
Het vonnis waarvan beroep
De economische politierechter in de rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis vrijgesproken van het ten laste gelegde.
Gebruik van het rechtsmiddel
De officier van justitie is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen. Hij heeft dit hoger beroep aan verdachte doen betekenen.
Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen tot een geldboete van € 1.200,-.
De beslissing op het hoger beroep
Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.
Tenlastelegging
Het hof heeft ter terechtzitting de tenlastelegging gewijzigd overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal. Aan verdachte is thans ten laste gelegd dat:
zij in de gemeente [gemeente], op of omstreeks 8 november 2006, als degene die een inrichting, als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, dreef, waarin zich toen een of meer voorvallen, als bedoeld in artikel 17.1 van voornoemde wet voorde(e)d(en) of had(den) voorgedaan, namelijk het 'overkoken', althans gaan stromen of lekken van menger 109, (telkens) al dan niet opzettelijk, die/dat voorval(len) niet zo spoedig mogelijk aan het bestuursorgaan dat bevoegd was een vergunning krachtens artikel 8.1 van voornoemde wet voor een inrichting te verlenen, dan wel ingevolge artikel 8.41, tweede lid, onder a van voornoemde wet, het orgaan was waaraan de melding werd gericht, in casu Gedeputeerde Staten der provincie [provincie], heeft gemeld, immers zijn/is genoemd(e) voorval(len) (telkens) in het geheel niet, althans pas op 5 december 2006, gemeld aan Gedeputeerde Staten der provincie [provincie].
Vrijspraak
Verdachte is ten laste gelegd dat zij - kort gezegd - een ongewoon voorval, waardoor nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of dreigden te ontstaan, niet, dan wel niet tijdig, aan de Gedeputeerde Staten der provincie [provincie] heeft gemeld.
Op 8 november 2006 hebben zich binnen het bedrijf van verdachte driemaal problemen voorgedaan met een menger, waarbij er een mengsel van bitumen, superflux en IPP is vrijgekomen, al dan niet in de vorm van damp. Naar het oordeel van het hof staat vast dat hier sprake was van ongewone voorvallen.
Gelet op het bepaalde in artikel 17.2 juncto artikel 17.1 van de Wet milieubeheer dienen ongewone voorvallen, waardoor nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of dreigen te ontstaan, zo spoedig mogelijk aan het bevoegde bestuursorgaan te worden gemeld. Het dossier biedt evenwel geen basis voor de vaststelling dat hier schade voor het milieu is of dreigde te ontstaan, zodat verdachte moet worden vrijgesproken van het haar ten laste gelegde.
De uitspraak
HET HOF,
RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:
vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:
verklaart het verdachte ten laste gelegde niet bewezen en spreekt haar daarvan vrij.
Dit arrest is aldus gewezen door mr. J.J. Beswerda, voorzitter, mr. S. Zwerwer en
mr. A.J. Rietveld, in tegenwoordigheid van mr. M. Koster als griffier, zijnde
mr. Rietveld voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.