ECLI:NL:GHLEE:2009:BH6264
Gerechtshof Leeuwarden
- Raadkamer
- H.J. Deuring
- H.M. Poelman
- J.J. Beswerda
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid gerechtshof bij vordering tot tenuitvoerlegging na nieuw strafbaar feit tijdens proeftijd
In deze zaak vordert de advocaat-generaal tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke deel van een eerder opgelegde gevangenisstraf, waarbij een bijzondere voorwaarde was gesteld dat de veroordeelde zich zou stellen onder toezicht van de reclassering.
Hoewel de veroordeelde zich aanvankelijk aan de reclasseringsvoorschriften hield, is het toezicht beëindigd omdat hij zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. Dit nieuwe feit betreft geen overtreding van een bijzondere voorwaarde, maar een zelfstandige strafbare gedraging.
Het hof stelt vast dat op grond van artikel 14g, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht in een dergelijke situatie niet het hof, maar de rechtbank die bevoegd is in eerste aanleg over het nieuwe feit, bevoegd is om te beslissen over de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf.
Daarom verklaart het hof zich onbevoegd om van de vordering kennis te nemen. De zaak zal derhalve door de rechtbank behandeld moeten worden.
Uitkomst: Het gerechtshof verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de vordering tot tenuitvoerlegging; de bevoegde rechtbank moet hierover beslissen.