ECLI:NL:GHLEE:2009:BI9845
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- G.M. van der Meer
- G.W.B. van Westen
- J.J.M. Jansen
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen navorderingsaanslag en boetebeschikking vennootschapsbelasting 1999
In deze zaak staat de ontvankelijkheid van het bezwaar en beroep tegen een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 1999 en een vergrijpboete centraal. Belanghebbende, een fiscale eenheid actief in projectontwikkeling, had een vervangingsreserve gevormd na verkoop van een recreatiepark. De inspecteur legde een navorderingsaanslag en boete op wegens vermeende onjuiste aangifte en het niet tijdig voldoen aan investeringsverplichtingen.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de navorderingsaanslag niet-ontvankelijk en vernietigde de boetebeschikking. Zowel belanghebbende als de inspecteur stelden hoger beroep in. Het hof oordeelde dat de uitspraak op bezwaar tegen de navorderingsaanslag op 23 september 2005 was gedaan en dat het beroep te laat was ingediend, waardoor het niet-ontvankelijk bleef.
Ten aanzien van de boete stelde het hof vast dat de inspecteur onvoldoende bewijs had geleverd voor opzet of grove schuld van belanghebbende. Ondanks het ontbreken van schriftelijke koopovereenkomsten voor de caravans, achtte het hof de verklaringen van getuigen en de omstandigheden voldoende om te concluderen dat belanghebbende redelijkerwijs mocht aannemen dat investeringsverplichtingen waren aangegaan. Het hof bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde de inspecteur tot betaling van proceskosten aan belanghebbende.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de navorderingsaanslag wordt niet-ontvankelijk verklaard en het hoger beroep tegen de boete wordt ongegrond verklaard.