ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ1925

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
7 juli 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.021.874/01
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Rechters
  • Mollema
  • Rowel-van der Linde
  • Kuiper
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:610a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling of sprake is van arbeidsovereenkomst tussen appellant en geïntimeerde

In deze zaak staat centraal de vraag of tussen appellant en geïntimeerde een arbeidsovereenkomst is gesloten per 1 september 2003. Appellant stelt dat hij als automonteur in dienst was tegen een netto salaris van €100 per week, inclusief kost en inwoning. De voorzieningenrechter wees de vordering af omdat bewijsvoering over de feitelijke samenwerking nodig is, wat niet passend is in een kort geding.

Appellant voerde twee grieven aan tegen deze beslissing, maar het hof constateert dat hij geen concrete feiten en omstandigheden heeft onderbouwd die het bestaan van een arbeidsovereenkomst aannemelijk maken. Geïntimeerde betwistte deze stellingen gemotiveerd en verwees naar het handelsregister waarin appellant als ondernemer van een vennootschap onder firma stond ingeschreven. Dit weerlegt het vereiste rechtsvermoeden van artikel 7:610a BW.

Het hof oordeelt dat zonder bewijsvoering niet kan worden aangenomen dat er een arbeidsovereenkomst bestond. Gezien de aard van het kort geding is bewijslevering niet mogelijk, waardoor het vonnis van de rechtbank Groningen wordt bekrachtigd. Appellant wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst de loonvordering van appellant af wegens gebrek aan bewijs van een arbeidsovereenkomst.

Uitspraak

Arrest d.d. 7 juli 2009
Zaaknummer 200.021.874/01
HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN
Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:
[appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant,
in eerste aanleg: eiser,
verder te noemen: [appellant],
toevoeging aangevraagd,
advocaat: mr. B. van Dijk, kantoorhoudende te Groningen,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
verder te noemen: [geïntimeerde],
in eerste aanleg: gedaagde,
advocaat: mr. H.J. Hoekman, kantoorhoudende te Stadskanaal.
Het geding in eerste instantie
In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het kort geding vonnis uitgesproken op 27 november 2008 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Groningen.
Het geding in hoger beroep
Bij exploot van 22 december 2008, hersteld bij exploot van 5 januari 2009 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 13 januari 2009.
De conclusie van de dagvaarding in hoger beroep luidt:
"Het Gerechtshof wordt verzocht bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Groningen, gewezen op 27 november 2008 onder rolnummer 383514/08-130 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het in eerste instantie gevorderde toe te wijzen en geïntimeerde te veroordelen tot betaling van de kosten van dit geding in beide instanties."
Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:
"Met inachtneming van al hetgeen door geïntimeerde zowel in eerste aanleg alsook, zoniet in het bijzonder in appèl naar voren is gebracht, heeft geïntimeerde de eer te concluderen dat het uw Edelgrootachtbaar College moge behagen, zonodig onder verbetering en/of aanvulling van de gronden het vonnis waarvan beroep te bekrachtigen en appellant in zijn vorderingen niet ontvankelijk te verklaren, althans deze aan hem te ontzeggen als zijnde ongegrond en onbewezen, met veroordeling van appellant in de kosten van beide instanties."
Tenslotte heeft [geïntimeerde] de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.
De grieven
[appellant] heeft twee grieven opgeworpen.
De beoordeling
1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten onder de overwegingen 2 tot en met 4 van het beroepen vonnis (hetwelk in afschrift aan dit arrest is gehecht) is geen grief ontwikkeld, zodat ook het hof van die feiten uit zal gaan.
2. Aan de loonvordering c.a. van [appellant] ligt de stelling ten grondslag dat tussen hem en [geïntimeerde] (zijn vader) per 1 september 2003 een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. [appellant] stelt als automonteur bij [geïntimeerde] dan wel diens rechtsvoorganger in dienst te zijn getreden tegen een salaris dat laatstelijk, naast kost en inwoning, een bedrag van € 100,-- netto per week bedroeg. Op 21 juli 2008 zou [appellant] zich hebben ziekgemeld, welke ziekmelding niet door [geïntimeerde] is geaccepteerd.
3. De voorzieningenrechter heeft de vordering van [appellant] afgewezen na te hebben overwogen dat de vraag of tussen partijen een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen slechts kan worden beantwoord na bewijsvoering over de feitelijke samenwerking tussen partijen, welke bewijsvoering echter niet past in de aard van een kort geding.
4. De grieven richten zich tegen die beslissing en de daaraan ten grondslag liggende overweging.
5. [geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord een groot aantal producties overgelegd. Nu [appellant] daarop niet heeft gereageerd, zal het hof zijn beslissing niet (mede) op de inhoud van die producties mogen baseren. [geïntimeerde] wordt daardoor - zoals uit hetgeen hierna zal blijken - niet benadeeld.
6. Krachtens vaste jurisprudentie heeft het volgende als uitgangspunt te gelden.
Partijen die een overeenkomst sluiten die strekt tot het verrichten van werk tegen betaling kunnen deze overeenkomst op verschillende wijzen inrichten. Wat tussen hen heeft te gelden wordt bepaald door hetgeen hun bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond, mede in aanmerking genomen de wijze waarop zij feitelijk aan de overeenkomst uitvoering hebben gegeven en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Aan de hand van de op deze wijze vastgestelde inhoud van de overeenkomst kan de rechter vervolgens bepalen of de overeenkomst behoort tot een van de in de wet geregelde bijzondere overeenkomsten. Daarbij is niet één enkel kenmerk beslissend maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien (zie onder meer HR 14 november 1997, NJ 1998, 149).
7. [appellant] heeft in de toelichting op de grieven omstandig uiteengezet welke feiten en omstandigheden volgens vaste jurisprudentie van belang zijn bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een arbeidsovereenkomst.
Het hof stelt echter vast dat [appellant], hetgeen hij in dat kader aan relevante feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht, ook in hoger beroep op geen enkele wijze heeft onderbouwd en aldus aannemelijk gemaakt. Nu [geïntimeerde] die feiten en omstandigheden gemotiveerd heeft betwist, kan zonder bewijsvoering niet van de juistheid van die feiten worden uitgegaan. Bewijsvoering als hier vereist gaat echter het kader van een kort geding procedure te buiten.
8. [appellant] heeft zich nog beroepen op het in artikel 7:610a BW neergelegde rechtsvermoeden. Voor een dergelijk vermoeden is nodig dat vaststaat (c.q. in kort geding tenminste aannemelijk is) dat de een ten behoeve van de ander tegen beloning gedurende tenminste drie opvolgende maanden wekelijks dan wel gedurende ten minste twintig uren per maand arbeid is verricht. Nu [geïntimeerde] gemotiveerd het verweer heeft gevoerd dat [appellant] de door hem verrichte werkzaamheden niet ten behoeve van [geïntimeerde], maar ten behoeve van de gezamenlijk door partijen geëxploiteerde onderneming heeft verricht, terwijl vaststaat dat [appellant] in het handelsregister ingeschreven heeft gestaan als ondernemer van de vennootschap onder firma Autoservice Zuidbroek (de naam waaronder ook [geïntimeerde] handelde en - na het uittreden van [appellant] - als eenmanszaak handelt), ontbreekt een wezenlijk element voor het met succes kunnen inroepen van bedoeld rechtsvermoeden.
9. De grieven falen.
De slotsom.
10. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd met veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep (salaris advocaat :1 punt tarief II)
De beslissing
Het gerechtshof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt [appe[appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak op € 254,-- aan verschotten en € 894,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat.
Aldus gewezen door mrs. Mollema, voorzitter, Rowel-van der Linde en Kuiper, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 7 juli 2009 in bijzijn van de griffier.