ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ1925
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep kort geding
- Mollema
- Rowel-van der Linde
- Kuiper
- Rechtspraak.nl
Beoordeling of sprake is van arbeidsovereenkomst tussen appellant en geïntimeerde
In deze zaak staat centraal de vraag of tussen appellant en geïntimeerde een arbeidsovereenkomst is gesloten per 1 september 2003. Appellant stelt dat hij als automonteur in dienst was tegen een netto salaris van €100 per week, inclusief kost en inwoning. De voorzieningenrechter wees de vordering af omdat bewijsvoering over de feitelijke samenwerking nodig is, wat niet passend is in een kort geding.
Appellant voerde twee grieven aan tegen deze beslissing, maar het hof constateert dat hij geen concrete feiten en omstandigheden heeft onderbouwd die het bestaan van een arbeidsovereenkomst aannemelijk maken. Geïntimeerde betwistte deze stellingen gemotiveerd en verwees naar het handelsregister waarin appellant als ondernemer van een vennootschap onder firma stond ingeschreven. Dit weerlegt het vereiste rechtsvermoeden van artikel 7:610a BW.
Het hof oordeelt dat zonder bewijsvoering niet kan worden aangenomen dat er een arbeidsovereenkomst bestond. Gezien de aard van het kort geding is bewijslevering niet mogelijk, waardoor het vonnis van de rechtbank Groningen wordt bekrachtigd. Appellant wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst de loonvordering van appellant af wegens gebrek aan bewijs van een arbeidsovereenkomst.