ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ3269

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
21 juli 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
107.001.884/01
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Streppel
  • Verschuur
  • Wind
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 157 lid 2 RvArt. 151 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake bewijs van echtheid handtekening op onderhandse akte en afwijzing vordering

In deze civiele zaak stond de echtheid van een handtekening op een onderhandse akte van 27 oktober 2005 centraal. Een deskundige werd benoemd om te onderzoeken of de handtekening door appellant was geplaatst. De deskundige concludeerde dat de handtekening hoogstwaarschijnlijk authentiek was, zonder aanwijzingen van valsheid.

De rechtbank had eerder vonnissen gewezen die in hoger beroep werden aangevochten. Het hof achtte het deskundigenonderzoek uitvoerig en maakte de conclusie van de deskundige tot de zijne. De appellant leverde hiermee het bewijs van echtheid van de handtekening, waardoor de verklaring in de akte als dwingend bewijs gold, tenzij de geïntimeerde tegenbewijs kon leveren.

De geïntimeerde voerde getuigenverklaringen aan, maar deze waren onvoldoende om het tegenbewijs te leveren. Het hof zag geen aanleiding om de geïntimeerde nader tegenbewijs te laten leveren, mede omdat zij geen aanvullend bewijsaanbod had gedaan. Daarom vernietigde het hof de eerdere vonnissen en wees de vordering van de geïntimeerde af. Tevens werd zij veroordeeld in de kosten van de procedure in eerste aanleg en hoger beroep.

Uitkomst: De vordering van geïntimeerde wordt afgewezen wegens onvoldoende tegenbewijs tegen de echtheid van de handtekening.

Uitspraak

Arrest d.d. 21 juli 2009
Zaaknummer 107.001.884/01
HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN
Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:
[appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna te noemen: [appellant],
advocaat: mr. R.W. de Casseres, kantoorhoudende te Leeuwarden,
tegen
[appellant],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
in eerste aanleg: eiseres,
hierna te noemen: [geïntimeerde],
toevoeging,
advocaat: mr. H.C.L. Crozier, kantoorhoudende te Sneek.
De inhoud van het tussenarrest d.d. 28 mei 2008 wordt hier overgenomen.
Het verdere procesverloop
Op 12 januari 2009 is een deskundigenbericht uitgebracht.
Vervolgens hebben beide partijen een memorie na deskundigenbericht genomen.
Ten slotte heeft [geïntimeerde] de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest.
De verdere beoordeling
1. Bij tussenarrest van 28 mei 2008 is [naam deskundige] tot deskundige benoemd teneinde een onderzoek in te stellen en schriftelijk bericht uit te brengen omtrent de volgende vragen:
a. Is de handtekening die staat aan de rechterzijde op de handgeschreven akte (productie 6 bij inleidende dagvaarding) onder de tekst "27-10-2005, Leeuwarden"door [appellant] geplaatst?
b. Geeft het onderzoek nog aanleiding tot het maken van opmerkingen, die in verband met de beslissing van het geschil van belang zouden kunnen zijn?
2. Blijkens pagina 1 van het deskundigenrapport heeft de deskundige ten behoeve van haar onderzoek van [appellant] de originele handgeschreven akte van 27 oktober 2005 ter hand gesteld gekregen. Van de advocaat van [geïntimeerde] heeft zij als vergelijkingshandschrift ontvangen een tiental door [appellant] vervaardigde schrijfproeven ontvangen alsmede kopieën van een rijbewijs, paspoort, achterzijde van een bankpasje en contracten, alle voorzien van een handtekening van [geïntimeerde].
3. De deskundige heeft in haar rapport de volgende conclusie geformuleerd:
Op grond van deze bevindingen kan worden geconcludeerd dat de betwiste handtekening rechtsonder de akte hoogstwaarschijnlijk door [appellant] is vervaardigd.
Terzake van vraag b. heeft de deskundige opgemerkt:
De gegeven conclusie kan aan de hand van aanvullend materiaal in de vorm van meer bij eerdere gelegenheid vervaardigde handtekeningen eventueel in de hoogste waarschijnlijkheidsgraad worden omgezet.
De betwiste handtekening is een complexe productie. Bij een nabootsing zouden valsheidskenmerken, zoals bijvoorbeeld onderbrekingen in de lijnvoering, verwacht kunnen worden. Deze zijn echter niet geconstateerd.
4. Het hof acht het deskundigenonderzoek uitvoerig en gedegen en maakt de conclusie van de deskundige tot de zijne.
[appellant] heeft aldus het bewijs van de echtheid van de handtekening van [appellant] op de kwitantie van 27 oktober 2005 geleverd.
5. Involge artikel 157 lid 2 Rv Pro levert een onderhandse akte ten aan zien van de verklaring van een partij omtrent hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen, tussen partijen dwingend bewijs op van de waarheid van die verklaring.
Het moet er daarom - behoudens door [geïntimeerde] involge artikel 151 lid 2 Rv Pro te leveren tegenbewijs - voor gehouden worden dat [geïntimeerde] op 27 oktober 2005 een bedrag van € 5.000,-- van [appellant] heeft ontvangen.
6. [geïntimeerde] heeft tijdens de procedure in eerste aanleg zichzelf, haar partner [getuige 1] en [getu[getuige 2] als getuigen doen horen.
De verklaring van [geïntimeerde] zelf kan, nu op haar de bewijslast rust terzake van het tegen de dwingende bewijskracht van de onderhandse akte te leveren tegenbewijs, geen bewijs in haar voordeel opleveren, tenzij er aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maken.
Getuige [getuige 2] heeft niets terzake doende kunnen verklaren. De verklaring van getuige [getuige 1] is naar 's hofs oordeel onvoldoende voor het te leveren tegenbewijs. [getuige 1] verklaart aanwezig te zijn geweest bij de ondertekening van de overeenkomst en de uitbetaling van het bedrag van € 17.000,--. Voorts verklaart hij dat [appellant] vervolgens is vertrokken en niet is teruggekeerd om nog eens
€ 5.000,-- te betalen. Nu uit de verklaring van [getuige 1] niet blijkt hoe lang hij, na de ondertekening van het contract in de winkel is gebleven, sluit zijn verklaring niet uit dat [appellant] op een later tijdstip is teruggekeerd met het bedrag van € 5.000,-- en [geïntimeerde] toen de kwitantie heeft getekend.
7. Nu [geïntimeerde] in hoger beroep geen bewijsaanbod heeft gedaan en zij ook overigens niet heeft aangegeven wat de reeds gehoorde getuigen meer of anders zouden kunnen verklaren, ziet het hof geen aanleiding haar ambtshalve in de gelegenheid te stellen (nader) tegenbewijs tegen de onderhandse akte van 27 oktober 2005 te leveren.
8. De grieven slagen.
Slotsom
9. De vonnissen waarvan beroep zullen worden vernietigd. Het hof zal, opnieuw rechtdoende, de vordering van [geïntimeerde] alsnog afwijzen. [geïntimeerde] zal, als de in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld in de geliquideerde kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep. Deze kosten zullen, voor zover gevallen aan de zijde van [appellant], wat het salaris van de advocaat in hoger beroep betreft tot aan deze uitspraak worden begroot op € 948,-- (1,5 punt, tarief I).
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de vonnissen van de kantonrechter te Leeuwarden waarvan beroep, tussen partijen gewezen op 22 december 2006 en 23 maart 2007;
en opnieuw rechtdoende
wijst de vordering van [geïntimeerde] af;
veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep en begroot die kosten, voor zover gevallen aan de zijde van [appellant] tot aan deze uitspraak
in eerste aanleg op nihil aan verschotten en nihil aan salaris gemachtigde en
in hoger beroep op € 1321,85 aan verschotten en € 948,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;
verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Aldus gewezen door mrs. Streppel, voorzitter, Verschuur en Wind, raden en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 21 juli 2009, in het bijzijn van de griffier.