ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ4002

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
24 juli 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
24-000571-08
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr (oud)Art. 22d Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor uitkeringsfraude wegens niet melden samenwoning

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor uitkeringsfraude door het niet tijdig verstrekken van gegevens over samenwoning aan de gemeente en de Intergemeentelijke Sociale Dienst (ISD). In hoger beroep vernietigde het hof het vonnis en deed opnieuw recht.

Het hof stelde vast dat verdachte in de periode van 26 augustus 2006 tot en met 7 februari 2007 opzettelijk naliet te melden dat hij samenwoonde met zijn vriendin, terwijl hij daartoe verplicht was op grond van de Wet Werk en Bijstand. Dit nalaten kon leiden tot bevoordeling van verdachte bij de vaststelling van zijn recht op een WWB-uitkering.

Het hof achtte verdachte strafbaar en legde een werkstraf op van 60 uren, waarvan 30 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Deze straf is lager dan de door de advocaat-generaal gevorderde werkstraf van 90 uren. Het hof sprak verdachte vrij van overige tenlasteleggingen die niet bewezen waren.

De strafmotivering hield rekening met de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit was begaan en het feit dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk strafbaar feit was veroordeeld. Het hof baseerde zich op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c (oud), 22d en 227b van het Wetboek van Strafrecht.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een werkstraf van 60 uren, waarvan 30 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, wegens uitkeringsfraude.

Uitspraak

Parketnummer: 24-000571-08
Parketnummer eerste aanleg: 19-810229-06
Arrest van 24 juli 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Assen van 22 februari 2008 in de strafzaak tegen:
[verdachte],
geboren op [1980] te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats], [adres],
verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. L.S. Slinkman, advocaat te Hoogezand.
Het vonnis waarvan beroep
De politierechter in de rechtbank Assen heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.
Gebruik van het rechtsmiddel
De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.
Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 90 uren, subsidiair te vervangen door 45 dagen hechtenis.
De beslissing op het hoger beroep
Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.
Tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
hij op een of meer tijdstippen, althans op enig tijdstip in of omstreeks de periode van 01 januari 2005 tot en met 13 juni 2006 en/of de periode van 26 augustus 2006 tot en met 07 februari 2007 te [plaats], gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 17 van Pro de Wet Werk en Bijstand, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens (schriftelijk) te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een WWB-uitkering via de gemeente [gemeente], dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk aan de (afdeling Maatschappelijke zaken van de) gemeente [gemeente] en/of (vervolgens) de ISD te Assen, in het geheel niet (schriftelijk) gemeld dat hij, verdachte, in genoemde periode(n) met [medeverdachte] samenwoonde, althans een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd, dan wel dat die [medeverdachte] haar hoofdverblijf had in de door verdachte bewoonde woning aan de [adres] te [woonplaats], zulks terwijl dat toen telkens wel het geval was;
Bewezenverklaring
Het hof acht ten aanzien van verdachte bewezen dat:
hij op tijdstippen in de periode van 26 augustus 2006 tot en met 07 februari 2007 te [plaats], gemeente [gemeente], in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 17 van Pro de Wet Werk en Bijstand, opzettelijk heeft nagelaten de benodigde gegevens (schriftelijk) te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf, terwijl verdachte redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een WWB-uitkering via de gemeente [gemeente], dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk aan de ISD te Assen, in het geheel niet (schriftelijk) gemeld dat [medeverdachte] haar hoofdverblijf had in de door verdachte bewoonde woning aan de [adres] te [woonplaats], zulks terwijl dat toen telkens wel het geval was.
Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.
Kwalificatie
Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:
in strijd met een hem bij of krachtens een wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf, en terwijl hij redelijkerwijze moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn recht op een verstrekking of tegemoetkoming.
Strafbaarheid
Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft in de periode van 26 augustus 2006 tot en met 7 februari 2007 nagelaten om aan de Intergemeentelijke Sociale Dienst (ISD) te Assen te melden dat hij samenwoonde met zijn vriendin. Verdachte was daartoe verplicht daar hij een uitkering genoot krachtens de Wet Werk en Bijstand (WWB).
Door aldus relevante gegevens aan de ISD te onthouden, heeft verdachte de gemeente en de ISD de mogelijkheid ontnomen om volledig inzicht te krijgen in feiten en omstandigheden die van belang zijn voor de beoordeling van (de hoogte van) zijn aanspraak op een uitkering.
Het hof houdt rekening met een verdachte betreffend uittreksel uit het Justitiële Documentatieregister d.d. 16 april 2009 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld.
Gelet op het feit dat het hof tot een beperktere bewezenverklaring komt dan de advocaat-generaal zal het hof een deels voorwaardelijke werkstraf opleggen van kortere duur dan door de advocaat-generaal gevorderd.
Toepassing van wetsartikelen
Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c (oud), 22d, en 227b van het Wetboek van Strafrecht.
De uitspraak
HET HOF,
RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:
vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:
verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;
verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;
veroordeelt verdachte [verdachte] tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van zestig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van dertig dagen zal worden toegepast;
beveelt dat een gedeelte van de werkstraf groot dertig uren, subsidiair vijftien dagen vervangende hechtenis, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is aldus gewezen door mr. J.J. Beswerda, voorzitter, mr. G. Dam en mr. W.F. van Zant, in tegenwoordigheid van mr. M. Koster als griffier, zijnde mr. Dam en mr. Van Zant voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.