ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ4385

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
28 juli 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.032.168/01
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Rechters
  • M. Mollema
  • A. Rowel - Van de Linde
  • Z. Zuidema
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep kort geding over terugplaatsing in functie van manager

In deze zaak, die voor het Gerechtshof Leeuwarden diende, ging het om een hoger beroep in een kort geding waarin de appellant, een manager, zijn terugplaatsing in zijn oude functie vorderde. De appellant had eerder een kort geding aangespannen bij de rechtbank Groningen, waar op 3 april 2009 een vonnis werd uitgesproken. De appellant stelde dat de voorzieningenrechter ten onrechte bepaalde feiten niet als vaststaand had opgenomen en dat zijn functie onterecht was gewijzigd. Het hof oordeelde dat de voorzieningenrechter de feiten correct had beoordeeld en dat de grieven van de appellant niet konden slagen. Het hof benadrukte dat de beoordeling van de feiten en de bewijsvoering in kort geding procedures van voorlopige aard zijn en dat de voorzieningenrechter zich moet baseren op de door partijen aangevoerde stellingen.

Het hof concludeerde dat de appellant niet in zijn vordering kon worden ontvangen, omdat de functiewijziging van de appellant niet onredelijk was en er geen voldoende bewijs was dat de appellant zijn functie niet had kunnen uitoefenen. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde de appellant in de kosten van het geding in hoger beroep. De uitspraak werd gedaan op 28 juli 2009, waarbij het hof de kosten aan de zijde van de geïntimeerde begrootte op € 262,-- aan verschotten en € 1.341,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat. De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

Arrest d.d. 28 juli 2009
Zaaknummer 200.032.168/01
HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN
Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:
[appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant,
in eerste aanleg: eiser,
hierna te noemen: [appellant],
advocaat: mr. B. van Dijk, kantoorhoudende te Groningen,
tegen
[geïntimeerde],
gevestigd te [plaats],
geïntimeerde,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna te noemen: [geïntimeerde],
advocaat: mr. A.T. Slofstra, kantoorhoudende te Roden.
Het geding in eerste instantie
In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het kort geding vonnis uitgesproken op 3 april 2009 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Winschoten.
Het geding in hoger beroep
Bij exploot van 29 april 2009 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 12 mei 2009.
De conclusie van de dagvaarding in hoger beroep luidt:
"verzocht wordt bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Winschoten, gewezen op 3 april 2009 onder rolnummer 395276 VV EXPl 09-9 te vernietigen, en opnieuw rechtdoende, het in eerste instantie gevorderde toe te wijzen en geïntimeerde te veroordelen tot betaling van de kosten van de gedingen in beide instanties."
Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde], onder overlegging van producties, verweer gevoerd met als conclusie:
"zonodig onder verbetering en/of aanvulling van de gronden, het vonnis van 3 april 2009 van de Rechtbank Groningen, sector Kanton, locatie Winschoten, tussen partijen gewezen, te bevestigen dan wel appellant niet ontvankelijk te verklaren in zijn vordering in hoger beroep en de vordering in hoger beroep af te wijzen, met veroordeling van appellant in de kosten van het hoger beroep met bepaling dat deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad zal zijn."
[appellant] heeft een akte uitlating producties tevens overlegging van producties genomen en heeft daarbij twee producties overgelegd.
[geïntimeerde] heeft vervolgens een antwoordakte genomen.
Tenslotte heeft [geïntimeerde] de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.
De grieven
[appellant] heeft zeven grieven opgeworpen, genummerd 5.1 tot en met 5.7.
Voorts ligt in het gestelde onder 3.2 van de memorie van grieven een verholen grief besloten.
De beoordeling
Met betrekking tot de verholen grief, grief 5.1 en de vaststaande feiten:
1. Met de grief wordt betoogd dat de voorzieningenrechter ten onrechte een aantal feiten niet als vaststaand heeft opgenomen.
Het hof overweegt in dit verband dat het tot de bevoegdheid van de rechter behoort die als vaststaand aan te merken feiten op te sommen die hij voor het nemen van zijn beslissing relevant acht. Daargelaten dat [geïntimeerde] de feiten waarop [appellant] doelt betwist, zodat deze niet zonder meer als vaststaand zijn aanmerken, kan de grief derhalve geen doel treffen.
2. De verholen grief treft doel. [geïntimeerde] is per 1 februari 2000 bij [appellant] in dienst getreden. Het onder 6 van het beroepen vonnis weergegeven feit wordt dienovereenkomstig verbeterd. Nu overigens geen grief is opgeworpen tegen de feiten zoals door de voorzieningenrechter onder 4 tot en met 15 van het beroepen vonnis zijn weergegeven, zal ook het hof van die feiten uitgaan.
Met betrekking tot de overige grieven:
3. Deze grieven leggen het geschil in volle omvang ter beoordeling aan het hof voor. Ze lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
4. Het hof leest in de grieven en in de daarop gegeven toelichting geen andere relevante stellingen of verweren dan die reeds in eerste aanleg waren aangevoerd en door de voorzieningenrechter gemotiveerd verworpen. Het hof onderschrijft hetgeen de voorzieningenrechter ter motivering van haar beslissing heeft overwogen en neemt die motivering over. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe.
5. Uitgebreide bewijslevering gaat het kader van een kort geding te buiten. Dat brengt mee dat de voorzieningenrechter zijn beslissing in de regel zal dienen te baseren op hetgeen door partijen over en weer wordt aangevoerd. Indien een partij zijn stellingen met bewijsstukken heeft onderbouwd, staat het de voorzieningenrechter vrij voorshands - op basis van die onderbouwing - uit te gaan van de juistheid van die stelling, zelfs als deze door de wederpartij wordt betwist. Artikel 152 Rv geldt immers ook in kort geding procedures, zij het dat de bewijswaardering in dergelijke procedures, gelet op het karakter van het kort geding, van voorlopige aard is. Ook het hof acht voorshands van groot belang dat de monteurs, aan wie [appellant] leiding zou moeten geven, het vertrouwen in [appellant] hebben opgezegd (productie 1 bij akte zijdens [geïntimeerde] in eerste aanleg), alsmede dat een aantal klanten door middel van het invullen van een enquête hebben aangegeven ontevreden te zijn over (de afdelingvan) [appellant] (zie productie 2 bij de hiervoor bedoelde akte). Dat er - blijkens de door [appellant] ten behoeve van de mondelinge behandeling in eerste aanleg overgelegde producties - ook tevreden klanten waren, doet daar in onvoldoende mate aan af.
6. Daargelaten wat precies de status is van de (als productie bij memorie van antwoord in appel overgelegde) aantekeningen van gesprekken die [geïntimeerde] beweerdelijk met [appellant] heeft gevoerd, duidelijk is voorshands wel dat [appellant] zijdens [geïntimeerde] op zijn manier van functioneren is aangesproken (zie de verklaring van [appellant] tijdens de comparitie van partijen) en dat de training/workshop "Praktisch leidinggeven" die [appellant] is gaan volgen, als door [appellant] geformuleerde leerwensen aspecten noemt die aansluiten bij de kritiek zoals die is verwoord door [geïntimeerde], de monteurs waaraan [appellant] geacht werd leiding te geven en de geënquêteerde klanten.
7. Het hof overweegt tenslotte dat sedert het kort geding in eerste aanleg inmiddels weer ruim vier maanden zijn verstreken. Alhoewel [appellant] daarvan geen verwijt kan worden gemaakt, ligt het feit daar dat [appellant] al bijna een jaar feitelijk geen leiding meer geeft aan de serviceafdeling. Ook dat aspect weegt bij de belangenafweging in dit kort geding mee in het nadeel van [appellant].
8. Of en - zo ja - in hoeverre [appellant] verplicht is de functiewijziging te accepteren hangt mede af van het antwoord op de vraag of [geïntimeerde] in het functioneren van [appellant] als leidinggevende aanleiding heeft kunnen vinden een functiewijziging voor te stellen, alsmede op de vraag of het gedane voorstel redelijk is. Deze en daarmee samenhangende vragen kunnen bezwaarlijk zonder nadere bewijsvoering en debat worden beantwoord, zodat het kort geding daarvoor niet de aangewezen procedure is.
De slotsom.
9. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd met veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep (salaris advocaat: 1,5 punt tarief II).
De beslissing
Het gerechtshof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak op € 262,-- aan verschotten en € 1.341,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat en verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad.
Aldus gewezen door mr. Mollema, voorzitter en mrs. Rowel - Van de Linde en Zuidema, raden en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 28 juli 2009 in bijzijn van de griffier.