ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ4885

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
12 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
WAHV 200.007.564
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Dijkstra
  • Beswerda
  • Sekeris
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:11 AwbArt. 5 WAHVArt. 9 WAHV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens termijnoverschrijding bij bestuursstrafrechtelijke beschikking

Betrokkene stelde beroep in tegen twee bestuursstrafrechtelijke beschikkingen die betrekking hadden op dezelfde gedraging met enkele minuten tijdsverschil. Het hof constateerde dat ondanks het ontbreken van een afschrift van de beslissing van de officier van justitie in het dossier, deze beslissing wel degelijk bestaat en op 11 april 2007 aan betrokkene is toegezonden.

De kantonrechter had het beroep niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de beroepstermijn, wat door het hof werd bevestigd. Het hof oordeelde dat het schrijven dat betrokkene indiende, terecht als beroepschrift werd aangemerkt, maar dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was omdat de reactie pas meer dan zes weken na de eerste aanmaning volgde.

Verder stelde het hof vast dat het beroep niet gericht was tegen de tweede beschikking en dat er geen grondslag was om de zaak alsnog aan de officier van justitie voor te leggen. Het verzoek tot vergoeding van kosten werd afgewezen. Het arrest bevestigt daarmee de beslissing van de kantonrechter.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

Uitspraak

WAHV 200.007.564
12 februari 2009
CJIB 79102741013
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam
van 29 april 2008
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),wonende te Rotterdam,
voor wie als gemachtigde optreedt mr. M.J.G.Schroeder, gevestigd te 's-Gravenhage.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam genomen beslissing niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het procesverloop
De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene niet -ontvankelijk verklaard wegens - kort gezegd - niet verschoonbare termijnoverschrijding.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan, dat het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, omdat de ontvangst van een afschrift van het inleidende beroep ten onrechte is opgevat als een beroep tegen de beslissing van de officier van justitie, omdat door de betrokkene geen beslissing van de officier van justitie is ontvangen en in het dossier een dergelijke beslissing ook ontbreekt, zodat deze als niet bestaand moet worden aangemerkt. Voorts kan een geschrift dat qua vorm en inhoud geen beroepschrift is, niet als zodanig worden aangemerkt, afhankelijk van de reactie van de betrokkene op een reactie van het bestuursorgaan.
Het hof zou de conclusie dienen te trekken dat betrokkene geen beroep bij de kantonrechter heeft ingesteld en de zaak ter hand van de officier van justitie moeten stellen om in administratief beroep te worden afgedaan.
3. Het hof stelt op grond van het dossier het volgende vast. Op 13 februari 2007 is de betrokkene een inleidende beschikking met bovenstaand CJIB-nummer 79102741013 toegezonden wegens een gedraging begaan op 25 januari 2007 te 19.42 uur. In het dossier bevindt zich tevens een op 11 februari 2007 aan de betrokkene toegezonden inleidende beschikking met CJIB-nummer 49102652076 ter zake van eenzelfde gedraging op dezelfde datum te 19.35 uur op dezelfde plaats. Op 28 februari 2007 is bij de CVOM een beroepschrift binnengekomen, gericht tegen de inleidende beschikking met CJIB-nummer 79102741013, waarin bezwaren zijn geformuleerd tegen de op 19.42 uur geconstateerde gedraging.
Voorts bevindt zich in het dossier een tweede aanmaning in de zaak met beschikkingsnummer 49102652076 met als verzenddatum 13 augustus 2007, waarop met potlood is geschreven "Maria KOLcenter 14/8", vergezeld van een kopie van het inleidende beroepschrift betreffende beschikkingsnummer 79102741013. Blijkens het daarop gestelde stempel is dit schrijven door de CVOM ontvangen op 17 augustus 2007.
Op 24 augustus 2007 is de betrokkene een ontvangstbevestiging "beroep op de kantonrechter" gezonden. De betrokkene heeft naar aanleiding van deze ontvangstbevestiging niet laten weten dat zij niet beoogde beroep op de kantonrechter in te stellen. Op 27 februari 2008 is de uitnodiging voor de zitting van de kantonrechter verzonden, met de constatering, dat het beroep is ingesteld na afloop van de beroepstermijn. In reactie daarop heeft de op 19 maart 2008 door de betrokkene gemachtigde bij brief van 4 april 2008 gereageerd. De stelling van de gemachtigde is, dat beide beschikkingen hetzelfde feit betreffen, dat de betrokkene heeft beoogd daartegen bezwaar te maken, dat zij geen betekenis toekende aan de beschikkingsnummers, dat zij tegen de tweede beschikking beroep heeft ingesteld en dat zij na de ontvangst van de tweede aanmaning in de eerdere beschikking telefonisch contact heeft opgenomen met het CJIB ("call"center) en dat haar verzocht werd een kopie van het beroepschrift op te zenden.
De betrokkene ontkent een beslissing van de officier te hebben ontvangen. Het dossier bevat die beslissing ook niet. Volgens de gemachtigde is er dan ook nog geen beslissing gevolgd op het inleidende beroep, zodat dat alsnog zou moeten geschieden.
4. Het hof stelt voorts vast, dat het zaakoverzicht inhoudt:
"Beschikking na beroep Ovj : 11 april 2007 Datum response 20 juni 2007
Eerste aanmaning 25 juni 2007"
en voorts:
"Initiële sanctie 50,00 07 februari 2007
Eerste verhoging 12,50 20 juni 2007
Bestemde ontvangsten 62,50 28 juni 2007".
5. De omstandigheid, dat geen afschrift van de beslissing van de officier van justitie in het dossier aanwezig is, wettigt niet de conclusie, dat die beslissing niet bestaand is. Blijkens het zaakoverzicht is op 11 april 2007 een beslissing aan de betrokkene toegezonden en niet onbestelbaar retour gezonden. Voorts is duidelijk, dat er geen sprake is van een begunstigende beslissing nu deze gevolgd is door de toezending van een eerste aanmaning met als verzenddatum 25 juni 2007. Dat in ieder geval deze eerste aanmaning door de betrokkene is ontvangen volgt uit de bestemde ontvangsten d.d. 28 juni 2007.
6. In het licht van hetgeen hiervoor onder 5 is overwogen heeft de kantonrechter het op 17 augustus 2007 bij de CVOM ontvangen schrijven van de betrokkene terecht aangemerkt als een beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie van 11 april 2007. Daarbij wordt opgemerkt dat het niet ongebruikelijk is dat het herhalen van de eerder tegen de inleidende beschikking aangevoerde bezwaren ook als een dergelijk beroep worden aangemerkt. De kantonrechter heeft vervolgens terecht geoordeeld dat de betrokkene niet in het beroep kan worden ontvangen. Immers, ook indien de namens de betrokkene geponeerde stelling dat de beslissing van de officier van justitie niet zou zijn ontvangen juist zou zijn, kan de overschrijding van de beroepstermijn niet als verschoonbaar worden aangemerkt, omdat de reactie van de betrokkene pas is gevolgd meer dan zes weken na 25 juni 2007, de verzenddatum van de eerste aanmaning.
7. Voor zover de gemachtigde namens de betrokkene heeft verzocht het vonnis van de kantonrechter te vernietigen en te bewerkstellingen dat de zaak alsnog in handen van de officier van justitie wordt gesteld teneinde alsnog te beslissen op het op 28 februari 2007 bij de CVOM binnengekomen beroepschrift mist het beroep - gelet op het hiervoor onder 5 en 6 overwogene - feitelijke grondslag.
8. Het dossier bevat voorts geen enkele aanwijzing waaruit voortvloeit, dat de officier van justitie had kunnen of moeten begrijpen, dat het beroep tevens gericht zou zijn tegen de inleidende beschikking met CJIB-nummer 49102652076, gelet op de duidelijke in het beroepschrift liggende beperking tot de op het tweede tijdstip (19.42 uur) geconstateerde gedraging met het daarmee corresponderende CJIB-nummer (79102741013).
9. Het hof zal dan ook de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Voor vergoeding van kosten is geen aanleiding.
Beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Beswerda en Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. De Ruijter als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.