ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ6856

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
3 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
24-000139-09
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens onvoldoende bewijs

In hoger beroep heeft het Gerechtshof Leeuwarden het vonnis van de politierechter vernietigd dat verdachte verplichtte een bedrag van €4.182,46 aan de Staat te betalen als ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De politierechter had dit bedrag vastgesteld naar aanleiding van een eerdere veroordeling waarbij verdachte medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van hennep betrof.

Tijdens het hoger beroep heeft het hof het bewijs opnieuw gewogen en geoordeeld dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat verdachte daadwerkelijk voordeel heeft behaald uit het bewezen verklaarde feit of andere soortgelijke feiten. Hierdoor kon de ontnemingsvordering niet worden toegewezen.

Het hof vernietigde het eerdere vonnis en wees de vordering tot ontneming af. De uitspraak is gedaan door een meervoudige strafkamer, waarbij verdachte in persoon verscheen en werd bijgestaan door zijn raadsman. De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Uitkomst: De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

Parketnummer: 24-000139-09
Parketnummer eerste aanleg: 17-756006-05
Arrest van 3 september 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 6 juni 2005, in de zaak strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tegen:
[verdachte],
geboren op [1944] te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats], [adres],
verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman, mr. R. Polderman, advocaat te Alkmaar.
Het vonnis waarvan beroep
De politierechter in de rechtbank Leeuwarden heeft bij voormeld vonnis, bij verstek gewezen, onder verwijzing naar het vonnis d.d. 6 juni 2005 van voormelde politierechter in de strafzaak met parketnummer 17-756006-05, het door veroordeelde uit baten van de door hem gepleegde strafbare feiten wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 4.182,46 en hem de verplichting opgelegd dat bedrag aan de Staat te betalen, ter ontneming van dat voordeel.
Gebruik van het rechtsmiddel
De veroordeelde is op de voorgeschreven wijze en tijdig van voormelde uitspraak in hoger beroep gekomen.
Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel vaststelt op een bedrag van € 4.182,46 en aan verdachte de verplichting oplegt tot betaling van dit bedrag aan de Staat, ter ontneming van dat voordeel.
De beslissing op het hoger beroep
Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, vernietigen en opnieuw recht doen.
Beoordeling van de vordering van het openbaar ministerie
De veroordeelde is bij arrest van dit hof (parketnummer 24-000138-09) ter zake van
onder meer - kort gezegd - het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid hennep, veroordeeld tot straf.
Het hof is van oordeel dat er niet voldoende aanwijzingen bestaan dat de veroordeelde uit voornoemd feit dan wel andere (soortgelijke) feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. De vordering moet derhalve worden afgewezen.
Toepassing van wetsartikelen
Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
De uitspraak
HET HOF,
RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:
vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:
wijst de vordering ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel af.
Dit arrest is aldus gewezen door mr. W. Foppen, voorzitter, mr. S.H. Wachter en
mr. G. Dam, in tegenwoordigheid van mr. E. Hoekstra als griffier.