ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ7903
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Verschuur
- Wind
- Voorink
- Rechtspraak.nl
Geen aansprakelijkheid voor letselschade na messteek bij wederrechtelijk binnendringen woning
Op 16 februari 2004 drongen appellant en een medeverdachte de woning van geïntimeerde binnen om een openstaande schuld te incasseren. Tijdens deze gebeurtenis ontstond een schermutseling waarbij geïntimeerde een mes gebruikte en appellant meerdere messteken opliep. Strafrechtelijk werden appellant en zijn medeverdachte veroordeeld voor poging tot afpersing en wederrechtelijk binnendringen, terwijl geïntimeinde in hoger beroep werd veroordeeld voor zware mishandeling, waarbij de eerste messteek als noodweer werd erkend.
In deze civiele procedure vorderde appellant schadevergoeding voor materiële en immateriële schade veroorzaakt door de messteken. Het hof bevestigde dat de eerste messteek in de bovenarm uit noodweer was toegebracht en daarmee een rechtvaardigingsgrond vormde. Gezien het feit dat appellant en zijn medeverdachte strafrechtelijk waren veroordeeld voor hun aandeel in de inbraak en het geweld, oordeelde het hof dat de handelwijze van geïntimeerde niet onrechtmatig was.
Daarom ontbrak de rechtsgrond voor de door appellant gevorderde schadevergoeding. Ook de overige messteken werden onvoldoende onderbouwd voor vergoeding. De vordering van appellant werd afgewezen en het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 5 maart 2008 werd bekrachtigd. Appellant werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: De vordering tot schadevergoeding van appellant wordt afgewezen omdat de eerste messteek uit noodweer was toegebracht en de handelwijze van geïntimeerde niet onrechtmatig was.