ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ9586

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
7 oktober 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
24-001289-05
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c SrArt. 22d Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens grootschalige sociale zekerheidsfraude en valsheid in geschrift

De verdachte werd beschuldigd van het op grote schaal ontdoken van premies voor de sociale zekerheid in de periode 2000-2003, waarbij hij als feitelijk leidinggever van meerdere BV's onjuiste loonadministraties opstelde. Hierdoor ontstond een benadeling van de sociale zekerheidsorganen van 265.529 euro en werd tevens onrechtmatig concurrentievoordeel behaald.

Het hof achtte bewezen dat de verdachte valselijke loonadministraties heeft opgemaakt met het oogmerk deze als echt te gebruiken, waarbij loonbedragen niet of onvolledig werden vermeld. Verdachte vervulde een meelopersrol maar profiteerde mee van de constructie die was opgezet om de fraude te verhullen.

Hoewel het hof aanvankelijk een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden passend achtte, werd deze aanzienlijk verminderd vanwege een ernstige schending van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. De straf werd omgezet in een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar, gecombineerd met een onvoorwaardelijke werkstraf van 240 uur, met vervangende hechtenis van 120 dagen.

De zaak kende een lange procedurele looptijd, met een overschrijding van ruim twee jaar en drie maanden tussen het eerste vonnis en de inhoudelijke behandeling in hoger beroep. Het hof hield rekening met het ontbreken van eerdere veroordelingen van verdachte en het inzicht dat verdachte toonde in zijn onjuiste handelen.

Het vonnis van de rechtbank werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht, waarbij verdachte werd veroordeeld conform de hierboven genoemde straf.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden en een werkstraf van 240 uur wegens sociale zekerheidsfraude en valsheid in geschrift.

Uitspraak

Parketnummer: 24-001289-05
Parketnummer eerste aanleg: 19-014010-02
Arrest van 7 oktober 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Assen van 21 juni 2005 in de strafzaak tegen:
[verdachte],
geboren op [1969] te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats], [adres],
verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. R.J. de Boer, advocaat te Coevorden.
Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank Assen heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.
Gebruik van het rechtsmiddel
De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.
Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van twee jaren alsmede een werkstraf voor de duur van 240 uur subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis.
De beslissing op het hoger beroep
Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:
1.
[bedrijf] op een of meer verschillende tijdstippen in de
periode 1 juli 2000 tot en met 3 augustus 2003, te [plaats], gemeente [gemeente]
en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer natuurlijke personen, althans alleen, (telkens) een loonadministratie over (een deel van ) het jaar 2000 en/of het jaar 2001
- (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te
dienen of (elk) zijnde een samenstelsels van geschriften dat in onderlinge
samenhang bestemd was om te dienen tot bewijs van het daar in gestelde, althans
van enig feit-
valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om die geschriften/dat geschrift of
die samenstelsels/dat samenstelsel van geschriften als echt en onvervalst te
gebruiken of door anderen te doen gebruiken,
hebbende dat valselijk opmaken (telkens) hierin bestaan, dat in die
loonadministratie(s) (telkens) een of meer loonbedragen of voorschotten op
loonbetalingen niet of niet volledig werden vermeld,
zulks terwijl hij, verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met een of
meer anderen tot bovenomschreven strafbare feiten/strafbaar feit opdracht
heeft gegeven dan wel de feitelijke leiding heeft gegeven aan bovenomschreven
verboden gedraging(en);
2.
[bedrijf] op een of meer verschillende tijdstippen in de periode
1 augustus 2001 tot en met 1 februari 2003, te [plaats], gemeente [gemeente] en/of
(elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer natuurlijke personen, althans alleen, (telkens) een loonadministratie over (een deel van) het jaar 2001 en/of over het jaar 2002
- (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te
dienen of (elk) zijnde een samenstelsels van geschriften dat in onderlinge
samenhang bestemd was om te dienen tot bewijs van het daar in gestelde, althans
van enig feit-
valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om die geschriften/dat geschrift of
die samenstelsels/dat samenstelsel van geschriften als echt en onvervalst te
gebruiken of door anderen te doen gebruiken,
hebbende dat valselijk opmaken (telkens) hierin bestaan, dat in die
loonadministratie(s) (telkens) een of meer loonbedragen of voorschotten op
loonbetalingen niet of niet volledig werden vermeld,
zulks terwijl hij, verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met een of
meer anderen tot bovenomschreven strafbare feiten/strafbaar feit opdracht
heeft gegeven dan wel de feitelijke leiding heeft gegeven aan bovenomschreven
verboden gedraging(en).
Bewezenverklaring
Het hof acht bewezen dat:
1.
[bedrijf] op verschillende tijdstippen in de
periode 1 juli 2000 tot en met 3 augustus 2003, in de gemeente [gemeente], telkens een loonadministratie over het jaar 2000 en het jaar 2001
- elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te
dienen of elk zijnde een samenstelsel van geschriften dat in onderlinge
samenhang bestemd was om te dienen tot bewijs van het daar in gestelde, -
valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om die geschriften of die samenstelsels van geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,
hebbende dat valselijk opmaken telkens hierin bestaan, dat in die
loonadministraties telkens loonbedragen niet werden vermeld,
zulks terwijl hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven
verboden gedragingen;
2.
[bedrijf] op verschillende tijdstippen in de periode
1 augustus 2001 tot en met 1 februari 2003, in de gemeente [gemeente]
in Nederland, telkens een loonadministratie over het jaar 2001 en over het jaar 2002
- elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen of elk zijnde een samenstelsel van geschriften dat in onderlinge samenhang bestemd was om te dienen tot bewijs van het daar in gestelde -
valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om die geschriften of
die samenstelsels van geschriften als echt en onvervalst te
gebruiken of door anderen te doen gebruiken,
hebbende dat valselijk opmaken telkens hierin bestaan, dat in die
loonadministraties telkens loonbedragen niet of niet volledig werden vermeld,
zulks terwijl hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven
verboden gedragingen.
Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.
Kwalificatie
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
1 en 2 telkens: valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen.
Strafbaarheid
Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.
Strafmotivering
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf in aanmerking genomen de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft daarbij in het bijzonder gelet op het navolgende.
Verdachte heeft op grote schaal premies voor de sociale zekerheid ontdoken.
Uit het dossier en uit hetgeen ter zitting is gebleken, is naar voren gekomen dat verdachte in de jaren 2000 tot en met 2003, als feitelijk leidinggever aan de BV's [bedrijf] en [bedrijf], geen of geen volledige dan wel onjuiste loonopgaven van door zijn werknemers genoten loon heeft gedaan aan het UWV.
Door deze handelwijze van verdachte is een forse benadeling, te weten 265.529,-- euro, ontstaan bij de organen die belast zijn met de uitvoering van Sociale Verzekeringen. Verdachte heeft zich door zijn handelen tevens onrechtmatig concurrentievoordeel verschaft.
Verdachte heeft, binnen een constructie van B.V.'s, die waren opgericht om te verhullen dat valse bedrijfsadministraties werden gevoerd, enerzijds een meelopersrol vervuld maar anderzijds meegeprofiteerd van het voordeel dat werd genoten.
Het hof heeft rekening gehouden met een verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 9 juni 2009, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder ter zake soortgelijke feiten is veroordeeld.
Ter zitting heeft verdachte ervan blijk gegeven het onjuiste van zijn handelen in te zien.
Verder heeft hij een dringend beroep op het hof gedaan hem in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf te veroordelen tot een werkstraf, opdat hij zijn werk en daarmee zijn toekomst kan behouden.
Alles overwegende is het hof van oordeel dat in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden op zijn plaats is. Gelet op de ernst van de feiten kan niet worden volstaan met een straf zoals door de rechtbank is opgelegd.
Het hof heeft echter geconstateerd dat de behandeling in hoger beroep niet heeft plaatsgehad binnen een redelijke termijn, zodat het een schending van artikel 6 van Pro het EVRM aanneemt. Hierbij acht het hof het navolgende van belang. Op 21 juni 2005 heeft de rechtbank uitspraak gedaan. Tegen die uitspraak is verdachte op 28 juni 2005 in beroep gekomen. Op 9 juni 2006 is vervolgens de zaak bij dit hof binnengekomen en eerst op 9 april 2009 ter zitting van het hof aangebracht, waarbij op laatstgenoemde datum de behandeling van de zaak is aangehouden in verband met ziekte van de raadsman van verdachte. De uiteindelijke inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden op 23 september 2009, waarna de uitspraak is bepaald op 7 oktober 2009. Op grond van het vorenstaande komt het hof tot een overschrijding van de redelijke termijn van twee jaar en ruim drie maanden.
Het hof zal deze ernstige schending compenseren in de op te leggen straf, zoals hierna in het dictum vermeld.
Toepassing van wetsartikelen
Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 51, 57, 63 en 225 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
De uitspraak
HET HOF,
RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:
vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:
verklaart het verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;
verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;
veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van twee maanden;
beveelt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
veroordeelt verdachte tevens tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van tweehonderdveertig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van honderdtwintig dagen zal worden toegepast;
beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de voormelde werkstraf geheel in mindering wordt gebracht, berekend naar de maatstaf van twee uren werkstraf per dag.
Dit arrest is aldus gewezen door mr. P. Koolschijn, voorzitter, mr. L.T. Wemes en mr. J. Hielkema, in tegenwoordigheid van G.G. Eisma, als griffier, zijnde mr. Wemes voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.