ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ9732

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
2 oktober 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
BK 22/09 Inkomstenbelasting
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 27l lid 3 Awr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake aftrek buitengewone uitgaven en proceskostenveroordeling inkomstenbelasting

Belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen een aanslag inkomstenbelasting 2005 waarbij de inspecteur geen aftrek wegens buitengewone uitgaven had verleend voor een zorgcomponent in de pensionprijs van haar serviceappartement. De rechtbank stelde belanghebbende deels in het gelijk en veroordeelde de inspecteur in de proceskosten.

De inspecteur stelde in hoger beroep dat de proceskostenveroordeling onterecht was omdat de procedure uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van belanghebbende en er geen sprake was van onrechtmatig handelen door de inspecteur. Het hof oordeelde dat de inspecteur bij de uitspraak op bezwaar al wist dat de kwestie speelde en dat belanghebbende geen doorslaggevende invloed had op de vertraging in het verstrekken van gegevens door de instelling E.

Daarom was het beroep van belanghebbende gerechtvaardigd om haar rechten veilig te stellen. De inspecteur kon niet worden verweten dat hij niet op de juiste wijze had gehandeld. Het hof bevestigde de proceskostenveroordeling ten bedrage van € 322,- en verklaarde het hoger beroep ongegrond.

De zaak betrof een aanslag inkomstenbelasting met een belastbaar inkomen uit werk en woning dat door de rechtbank was verminderd. Belanghebbende was woonachtig in een serviceappartement met een zorgcomponent die zij als buitengewone uitgave wilde aftrekken. De procedure speelde zich af tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst Noord/kantoor Leeuwarden.

De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van het hof op 2 oktober 2009, waarbij belanghebbende niet was verschenen. Beide partijen konden binnen zes weken beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad.

Uitkomst: Het hoger beroep van de inspecteur wordt ongegrond verklaard en de proceskostenveroordeling ten laste van de inspecteur bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN
Sector Belasting
Kenmerk: 22/09
Uitspraakdatum: 2 oktober 2009
uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Leeuwarden,
de inspecteur,
tegen de uitspraak in de zaak AWB 08/8 van de rechtbank Leeuwarden van 11 februari 2009 in het geding tussen
mevrouw X, wonende te Z, belanghebbende
en
de inspecteur.
1. Ontstaan en loop van het geding
1.1 De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2005 onder aanslagnummer 0000.00.000.H.56 (dagtekening 16 februari 2007) een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.308.
1.2 Nadat belanghebbende daartegen een bezwaarschrift had ingediend, heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar van 22 november 2007 genoemd belastbaar inkomen verminderd tot € 18.636.
1.3 Bij uitspraak van 11 februari 2009, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het door belanghebbende ingestelde beroep tegen voornoemde uitspraak gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.527, de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 644, de Staat der Nederlanden aangewezen dit bedrag aan belanghebbende te voldoen en de Staat der Nederlanden gelast het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 39 te vergoeden.
Aldaar is geprocedeerd zoals weergegeven in voormelde uitspraak van de rechtbank.
1.4 Tegen deze uitspraak heeft de inspecteur hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 6 maart 2009 (met bijlage), bij het hof ingekomen op 9 maart 2009 en aangevuld bij brief, ingekomen op 18 maart 2009. Belanghebbende heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend, ingekomen op 30 maart 2009.
1.5 De tweede meervoudige kamer van het hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 september 2009. Belanghebbende is niet verschenen. Ook namens haar is niemand verschenen. De griffier heeft belanghebbendes gemachtigde bij aangetekende brief van 25 juni 2009 uitgenodigd voor de zitting op 1 september 2009 om 13.30 uur. Het ontvangstbewijs daarvan is getekend teruggekomen ter griffie. Belanghebbende is derhalve correct opgeroepen. Namens de inspecteur is verschenen mr. A.
1.6 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.
2. Feiten
Op grond van de stukken van het geding staat, als tussen partijen niet in geschil, het volgende vast:
2.1 Belanghebbende is geboren op .. augustus 19.. en is sinds .. juli 19.. weduwe van B.
2.2 Belanghebbende is woonachtig in Service- en verzorgingsflat C (hierna: C) te Z, gelegen aan de a-straat 75.
2.3 Naar aanleiding van een verzoek aan de inspecteur van de heer D (hierna: D) van "E", waartoe C behoort, inzake de vaststelling van de toegestane aftrek buitengewone uitgaven wegens ziekte betreffende C, nam de inspecteur op 21 maart 2007 telefonisch contact op met D. De problematiek werd daarbij besproken.
Bij brief van 10 maart 2008 heeft D de inspecteur geïnformeerd dat C uit een verzorgingstehuis bestaat, vallend onder de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ), en uit serviceappartementen. Deze serviceappartementen hebben een aparte nummering, lopend van 75 tot en met 393. Belanghebbende is woonachtig op nummer 87.
2.4 Met betrekking tot belanghebbende is er geen besluit inzake indicatiestelling voor opname in een verpleeghuis genomen en zij betaalt geen eigen bijdrage krachtens artikel 6 van Pro de AWBZ.
2.5 De totale kosten van belanghebbende in verband met haar verblijf in C bedragen € 13.258,25, waarvan
€ 5.638,08 aan huur en energie zijn toe te rekenen en € 165,29 aan variabele kosten.
2.6 Bij voormelde brief van l0 maart 2008 heeft D namens "E", waartoe C behoort, een overzicht verstrekt van de kosten van verzorging en verpleging (de zorgcomponent) die in de pensionprijs van de bewoners van de serviceappartementen begrepen zit. Voor het jaar 2005 is dit een bedrag van € 1.108,70.
2.7 De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 22 november 2007, belanghebbende geen aftrek wegens buitengewone uitgaven verleend wegens een zorgcomponent begrepen in de pensionprijs. Bij de bestreden uitspraak van de rechtbank is die aftrek alsnog verleend.
3. Geschil
3.1 In hoger beroep stelt de inspecteur dat de rechtbank ten onrechte de inspecteur heeft veroordeeld in de proceskosten ten bedrage van € 644,-, omdat de procedure uitsluitend is voortgevloeid uit de handelwijze van belanghebbende en er geen sprake is geweest van onrechtmatig handelen van de inspecteur.
3.2 Belanghebbende is van mening dat de rechtbank genoemde proceskostenveroordeling terecht heeft uitgesproken.
3.3 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.
4. De overwegingen omtrent het geschil
4.1 De inspecteur heeft -naar vaststaat- bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 22 november 2007, belanghebbende geen aftrek wegens buitengewone uitgaven verleend wegens een zorgcomponent begrepen in de pensionprijs.
4.2 Belanghebbende is toen op 2 januari 2008 in beroep gegaan om toch nog een zodanige aftrek te krijgen.
4.3 Nu belanghebbende door de rechtbank gedeeltelijk in het gelijk is gesteld, heeft zij in beginsel recht op een vergoeding van de proceskosten door de inspecteur.
Hiervan kan worden afgeweken indien de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van belanghebbende (zie onder meer HR 5 januari 2007, nr. 42 548, BNB 2007/123).
4.4 Naar het oordeel van het hof kan niet gezegd worden dat de procedure uitsluitend is voortgevloeid uit de handelwijze van belanghebbende, nu de inspecteur bij uitspraak op bezwaar van 22 november 2007 geen aftrek heeft verleend betreffende de zorgcomponent ondanks de omstandigheid dat hij wist dat deze kwestie nog speelde (zie 2.3 en 2.6). Gelet op de correspondentie tussen de inspecteur en E was het de inspecteur ten tijde van het doen van de uitspraak bekend dat belanghebbende in beginsel recht had op aftrek van een zeker bedrag aan kosten wegens ziekte en dat de omvang van dat bedrag afhankelijk was van door E aan de inspecteur te verstrekken gegevens. Nu de inspecteur niet langer wenste te wachten op de door E te verstrekken gegevens en belanghebbende op die verstrekking geen doorslaggevende invloed kon uitoefenen, moest zij toen wel in beroep gaan om haar rechten veilig te stellen. Naar het oordeel van het hof kan haar niet verweten worden dat zij het exacte bedrag van de zorgcomponent in de huurprijs ten tijde van dit in beroep gaan en in een eerdere fase niet wist, nu dit bedrag eerst later op grond van door E verstrekte gegevens kon worden vastgesteld.. Het Hof acht niet aannemelijk dat de vertraging in de verstrekking van de voor de aftrek van belang zijnde gegevens door E aan de inspecteur, in betekenende mate aan belanghebbende is te verwijten.
4.5 De vraag of de inspecteur al dan niet onrechtmatig heeft gehandeld, is voor een veroordeling in de kosten van het beroep niet relevant.
4.6 Derhalve moet worden beslist als hierna te vermelden. Op grond van artikel 27l, lid 3, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen zal van de Staat der Nederlanden een griffierecht worden geheven.
5. Proceskosten
In de omstandigheden van het geval vindt het hof aanleiding op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht de inspecteur te veroordelen in de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Het hof bepaalt deze kosten op grond van het Be¬sluit proceskosten bestuursrecht op 1 (punt) x 1 (wegingsfactor) x € 322,- = € 322,-.
6. De beslissing
Het hof:
verklaart het hoger beroep ongegrond;
veroordeelt de inspecteur de kosten aan belanghebbende te vergoeden, die deze heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep, te bepalen op € 322,-.
Aldus vastgesteld op 2 oktober 2009 door mr. J. Huiskes, raadsheer en voorzitter,
mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, raadsheer, en mr. D.B. Bijl, raadsheer-plaatsvervanger, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. K. de Jong-Braaksma en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.
Afschrift aangetekend aan beide partijen verzonden op: 7 oktober 2009
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.