De beoordeling
In het principaal en het incidenteel appel
1. De rechtbank heeft in het vonnis van 23 juli 2003 onder 1 (1.1 tot en met 1.3) een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Daaromtrent bestaat tussen partijen geen geschil, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan. Het gaat in deze zaak om het volgende.
1.1. [appellante] vordert van [geïntimeerde] betaling van een factuur ad € 23.962,84 (exclusief rente en kosten) die betrekking heeft op door haar in opdracht van [geïntimeerde] verrichte installatiewerkzaamheden. [geïntimeerde] heeft als eerste verweer gevoerd dat het door [appellante] ingeschakelde personeel minder uren heeft gemaakt, dan vermeld is op de werkbonnen. Daarnaast zijn er volgens [geïntimeerde] tot een bedrag van € 512,36 uren berekend voor herstel van ondeugdelijk verrichte werkzaamheden, is er f. 1.000,- (€ 453,78) teveel aan materiaal in rekening gebracht en heeft [geïntimeerde] zelf werkzaamheden verricht tot herstel van door [appellante] ondeugdelijk uitgevoerde werkzaamheden, waarmee een bedrag van f. 1.400,- (€ 635,29) gemoeid was. Aldus dient volgens [geïntimeerde] de factuur in totaal met een bedrag van € 7.143,11 te worden verminderd wegens "teveel gefactureerd".
1.2. Als tweede verweer heeft [geïntimeerde] betoogd dat [appellante] op verschillende onderdelen tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst en dat zij tengevolge daarvan schade heeft geleden ad € 23.453,82. Zij doet een beroep op verrekening van deze schade met (het restant van) de vordering van [appellante].
1.3. De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 23 juli 2003 het tweede verweer verworpen, nu volgens de rechtbank niet was komen vast te staan dat [appellante] in verzuim is geraakt. Ten aanzien van het eerste verweer heeft zij geoordeeld dat de reistijd inzake woon-werkverkeer moet worden gecrediteerd en dat [appellante] voor het overige moet bewijzen dat de op de werkbonnen in rekening gebrachte uren overeenstemmen met de gewerkte uren. Van dit vonnis heeft de rechtbank tussentijds hoger beroep open gesteld.
1.4. Door [geïntimeerde] is van het vonnis van 23 juli 2003 appel ingesteld. Zij beklaagde zich over het verwerpen van haar tweede verweer en het niet volledig beslissen op haar eerste verweer. Door [appellante] is geen incidenteel appel ingesteld inzake de voor haar nadelige beslissingen van de rechtbank ten aanzien van het eerste verweer.
1.5. Bij arrest van 4 mei 2005 heeft het hof inzake het tweede verweer onder meer overwogen dat het verzuim van [appellante] is ingetreden met de brief van [geïntimeerde] van 14 december 2001. Ten aanzien van het eerste verweer heeft het hof overwogen dat de rechtbank heeft verzuimd zich uit te laten over de door [geïntimeerde] voorgestane vermindering van de factuur vanwege, kort gezegd, teveel materiaal, herstel gebreken door [appellante] en herstel gebreken door [geïntimeerde].
1.6. Op grond van een en ander heeft het hof het vonnis van de rechtbank van
23 juli 2003 vernietigd en de zaak ter verdere berechting naar de rechtbank verwezen, waarbij het hof heeft aangegeven dat beide partijen op een aantal in het arrest genoemde punten bewijs dienen te leveren.
1.7. Bij vonnis van 15 maart 2006 heeft de rechtbank het geschil verder beoordeeld en een comparitie van partijen bevolen. Vervolgens heeft de rechtbank bij vonnis van 12 juli 2006 partijen over en weer bewijsopdrachten gegeven.
1.8. Bij eindvonnis van 14 maart 2007 heeft de rechtbank geoordeeld dat beide verweren van [geïntimeerde] deels slagen en deels falen. Dit heeft ertoe geleid dat de rechtbank [geïntimeerde] heeft veroordeeld tot betaling aan [appellante] van € 12.574,65, vermeerderd met wettelijke rente, met compensatie van de proceskosten en onder afwijzing van het meer of anders gevorderde.