ECLI:NL:GHLEE:2009:BL6975

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
9 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.018.303
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Sekeris
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 RVV 1990Art. 84 WPV 2000Wet personenvervoer 2000WAHV
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie wegens niet dragen autogordel bij contractmatig taxivervoer

De betrokkene, een taxichauffeur, kreeg een administratieve sanctie van €75 opgelegd wegens het niet dragen van de autogordel tijdens een rit op 27 februari 2008 in Amsterdam. Hij voerde aan dat hij klanten vervoerde op contractbasis tegen een vast tarief, waardoor volgens hem de uitzondering op de gordelplicht van toepassing zou zijn.

De verbalisanten bevestigden dat de gordel niet werd gedragen, maar konden zich de situatie niet meer herinneren en stelden dat zij bij aanwezigheid van klanten geen bekeuring zouden hebben uitgeschreven. De betrokkene en zijn gemachtigde onderbouwden hun standpunt met een rittenstaat en een e-mail waarin werd gesteld dat de ritten op contractbasis waren.

Het hof oordeelde dat de verwijzing in artikel 59, lid 6, RVV 1990 naar artikel 84, lid 2, WPV 2000 een omissie bevatte en dat de juiste verwijzing naar lid 3 van artikel 84 WPV Pro 2000 moest zijn. Hierdoor geldt de uitzondering op de gordelplicht niet voor taxivervoer op basis van een schriftelijke overeenkomst met een vast tarief over een bepaalde periode. Omdat de betrokkene op contractbasis werkte, was hij niet uitgezonderd van de gordelplicht. Het hof bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek tot vergoeding van proceskosten af.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de boete van €75 voor het niet dragen van de autogordel omdat de uitzondering voor contractmatig taxivervoer niet van toepassing is.

Uitspraak

WAHV 200.018.303
9 december 2009
CJIB 116747128
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam
van 28 oktober 2008
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [woonplaats],
voor wie als gemachtigde optreedt mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam genomen beslissing ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het procesverloop
De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.
De advocaat-generaal heeft een reactie gegeven op de nadere toelichting op het beroep.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 75,- opgelegd ter zake van “als bestuurder of passagier geen gebruik maken van een autogordel”, welke gedraging zou zijn verricht op 27 februari 2008 om 14.40 uur op de Wibautstraat te Amsterdam.
2. Namens de betrokkene wordt niet bestreden dat de betrokkene geen gebruik heeft gemaakt van de autogordel, maar wordt aangevoerd dat de betrokkene klanten tegen vergoeding vervoerde in zijn taxi. In dat geval is hij uitgezonderd van de gordelplicht. Anders dan de verbalisant verklaart, heeft de betrokkene bij staandehouding niet verklaard dat hij de gordel wel om had. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de gemachtigde van de betrokkene een rittenstaat overgelegd, alsmede de email die de betrokkene aan de gemachtigde heeft verzonden daags na ontvangst van de inleidende beschikking.
3. Uit de door de betrokkene overgelegde rittenstaat volgt dat met de taxi met het kenteken [00-AB-AB] een taxirit is gereden door de betrokkene op 27 februari 2008 van 14.32 uur tot 14.45 uur. Als startpunt van de rit is genoteerd Hotel [naam]. In de kolom ritprijs en fooien staat vermeld "vaste prijs hotel".
4. In het hiervoor vermelde mailbericht, gedateerd 17 april 2008, schrijft de betrokkene het volgende aan de gemachtigde, voor zover van belang:
“Ik werd aangehouden op de Wibautstraat voor gordelcontrole. De agent verwees mij naar het niet-dragen van mijn gordel. Ik vertelde hem dat het NIET verplicht was wanneer een klant aanwezig is. Hij vroeg mij dan waarom de meter niet aan stond. Ik antwoordde dat het een afgesproken rit via een hotel was en dus de meter hoefde niet aan te staan. (…)
Hij vertelde dat hij niks van wist en bekeurde mij toch.
Ik werk vaak met hotels OP CONTRACT BASIS voor ritten waar de prijs van tevoren afgesproken zijn. In zulke gevallen het aanzetten van de meter is NIET verplicht.”
5. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.
6. De ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB houdt onder meer het volgende in:
“De gordel hing ongebruikt langs de deurstijl. (…) Naam van ambtenaar 1: [verbalisant 1] (…) Verklaring betrokkene: "Ik had wel mijn gordel om."”
7. In het aanvullend proces-verbaal d.d. 17 maart 2009 verklaren verbalisant [verbalisant 1] [dienstnummer verbalisant 1] en [verbalisant 2] ([dienstnummer verbalisant 2]) onder meer het volgende:
“Wij, verbalisanten hebben de zaak doorgenomen. (…) Verder kunnen wij verbalisanten u verklaren, dat gezien het tijdsbestek wat is verstreken de overtreding gepleegd op 27 februari 2008 te weten het niet dragen van de autogordel niet meer met zekerheid voor ons kunnen halen. Ik, verbalisant [dienstnummer verbalisant 1] kan u wel verklaren dat wij bestuurders van taxi's, die personen dan wel klanten vervoeren hiervoor GEEN bekeuring geven. Vervolgens verklaren wij, verbalisanten dat de overtreding is geconstateerd door 2 verbalisanten te weten samen met verbalisant [dienstnummer verbalisant 2], welke ook de verbalisant van staandehouding is en de verklaring te weten "ik had wel mijn gordel om" van betrokkene op de beschikking heeft genoteerd. Ik, verbalisant [dienstnummer verbalisant 2] kan me niet meer voorstellen dat het onderwerp KLANTEN tijdens het uitschrijven van de bekeuring aan de orde is geweest, want dan had betrokkene hiervoor geen bekeuring gekregen van verbalisanten. Wij verbalisanten blijven zodoende ons vasthouden aan de gegevens welke staan op de kennisgeving van bekeuring”.
8. Niet in geschil is dat de betrokkene geen gebruik heeft gemaakt van de autogordel. Twistpunt is of de betrokkene al dan niet klanten vervoerde in zijn taxi en om die reden was uitgezonderd van de voor hem geldende gordelplicht. Uit het zaakoverzicht van het CJIB volgt niets betreffende de aanwezigheid van klanten in de taxi ten tijde van de gedraging. In het aanvullend proces-verbaal verklaren de verbalisanten dat zij zich de situatie niet meer kunnen herinneren. De verbalisanten geven daarbij wel aan dat in het geval er zich klanten in de taxi bevonden zij geen sanctie hadden opgelegd, maar die stelling berust op een algemeenheid en niet op concrete wetenschap van dit geval. De betrokkene en diens gemachtigde hebben daarentegen consistent en gemotiveerd verklaard dat er sprake was van vervoer van klanten in de taxi. Die stelling hebben zij onderbouwd met een rittenstaat.
Gelet hierop acht het hof het aannemelijk dat ten tijde van de gedraging personen tegen vergoeding in de taxi werden vervoerd.
9. Anders dan de betrokkene en diens gemachtigde aanvoeren, houdt het voorgaande echter niet in dat de betrokkene was uitgezonderd van de gordelplicht. Het hof overweegt hiertoe als volgt.
10. Artikel 59, eerste lid, eerste volzin, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), zoals dat gold ten tijde van de gedraging, houdt het volgende in:
“Bestuurders van een motorvoertuig of een bromfiets en hun passagiers maken gebruik van de voor hen beschikbare autogordel.”
11. Artikel 59, zesde lid, RVV 1990, zoals dat gold ten tijde van de gedraging, houdt het volgende in:
“Het eerste lid voor zover dat op bestuurders betrekking heeft en het vierde lid gelden niet tijdens het vervoer van passagiers tegen vergoeding in de zin van de Wet personenvervoer 2000, anders dan in de gevallen waarin een overeenkomst is gesloten als bedoeld in artikel 84, tweede lid, van die wet (…).”
12. Artikel 84, tweede lid en derde lid, Wet personenvervoer 2000 (WPV 2000), zoals dat gold ten tijde van de gedraging, houdt het volgende in:
“2. De regeling kan voorschriften bevatten omtrent een toe te passen maximumtarief.
3. De regeling heeft geen betrekking op tarieven voor taxivervoer dat wordt verricht ter uitvoering van een schriftelijke overeenkomst waarbij gedurende een bij die overeenkomst vastgestelde periode meermalen taxivervoer wordt verricht tegen een in die overeenkomst vastgelegd tarief.”
13. Het hof houdt het ervoor dat de verwijzing naar artikel 84, tweede lid, WPV 2000 in artikel 59 zesde Pro lid, RVV 1990 berust op een omissie en de wetgever bedoeld heeft te verwijzen naar het derde lid van artikel 84 WPV Pro 2000. Het hof baseert dit op het navolgende.
14. Artikel 84, tweede lid, WPV 2000, zoals dat geldig was tot 20 september 2006, houdt het volgende in:
“Het maximumtarief geldt niet indien schriftelijk een tarief wordt overeengekomen voor het gedurende een bepaalde periode meermalen verrichten van taxivervoer.”
15. Artikel 59, zesde lid, RVV 1990, zoals dat geldt vanaf 1 mei 2009, houdt het volgende in:
“Het eerste lid voor zover dat op bestuurders betrekking heeft en vierde lid gelden niet tijdens het vervoer van passagiers tegen vergoeding in de zin van de Wet personenvervoer 2000 en tijdens vraagafhankelijk openbaar vervoer in taxi's, anders dan in de gevallen waarin een overeenkomst is gesloten als bedoeld in artikel 84, derde lid, van die wet (…).”
In de Nota van Toelichting bij de wijziging van artikel 59 RVV Pro 1990 wordt hierover het volgende opgemerkt (Stb. 2008, 90, p. 16):
“Door de wijziging van artikel 84 van Pro de Wet personenvervoer 2000 klopte de verwijzing in artikel 59, zesde lid, naar het contractvervoer in betrokken artikellid niet meer. Die omissie is nu hersteld.”
16. In beginsel is de stelling van de betrokkene en diens gemachtigde juist dat de bestuurder geen gebruik hoeft te maken van de gordel als tegen vergoeding passagiers worden vervoerd in de zin van de WPV 2000. Op grond van het vorenstaande samenstel van regels geldt die uitzondering echter niet als taxivervoer wordt verricht op basis van een schriftelijke overeenkomst waarbij gedurende een bij die overeenkomst vastgestelde periode meermalen taxivervoer wordt verricht tegen een in die overeenkomst vastgesteld tarief. In het hierboven vermelde mailbericht schrijft de betrokkene dat hij op contractbasis werkt voor hotels waarbij een vast tarief wordt gerekend. Gelet hierop was de betrokkene derhalve niet uitgezonderd van de gordelplicht, ongeacht of hij passagiers in zijn taxi vervoerde.
17. Nu de verbalisanten verklaren dat de betrokkene geen gebruik maakte van de gordel en de betrokkene dat ook heeft erkend, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Derhalve heeft de kantonrechter het beroep terecht ongegrond verklaard, zodat het hof die beslissing van de kantonrechter zal bevestigen.
18. Nu de bestreden beslissing niet wordt vernietigd, ziet het hof geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten. Het hof zal het kostenverzoek daarom afwijzen.
Beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Kuiper als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.