ECLI:NL:GHLEE:2010:BK9354
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Kuiper
- De Hek
- Fikkers
- Rechtspraak.nl
Beoordeling pensioenopbouw bij vervroegde VUT en dwaling
Appellant was van 1972 tot 2002 in dienst bij Rabobank en maakte vanaf april 2002 vervroegd gebruik van de VUT-regeling. Hij ontving een lagere VUT-uitkering en een bruto vergoeding. De pensioenopbouw werd premievrij voortgezet naar rato van de VUT-uitkering. Appellant stelde dat Rabobank hem onvolledig had geïnformeerd over de gevolgen voor zijn pensioenopbouw, waardoor hij dwalend de arbeidsovereenkomst beëindigde.
In eerste aanleg wees de kantonrechter zijn vorderingen af. In hoger beroep voerde appellant negen grieven aan, maar deze werden door het hof verworpen. Het hof oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij bij volledige informatie geen schade zou hebben geleden of dat hij recht had op volledige pensioenopbouw. Ook was niet aannemelijk dat een ontbindingsprocedure gunstiger voor hem zou zijn geweest.
Het hof stelde vast dat appellant geen vordering tot vernietiging van de beëindigingsovereenkomst had ingesteld en dat het beroep op dwaling daarom niet aan de orde was. De vordering tot schadevergoeding strandde hierop. Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en veroordeelde appellant in de kosten van het geding in hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vorderingen van appellant af wegens onvoldoende aannemelijkheid van schade en geen beroep op dwaling.