ECLI:NL:GHLEE:2010:BL5300

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
19 februari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
BK 53/09 Fosfaatheffing
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArtikel 1 Bijlage 3 Regeling hoeveelheidsbepaling dierlijke en overige organische meststoffen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging naheffingsaanslag fosfaatheffing ondanks afwijkend analyseresultaat mestvracht

Belanghebbende exploiteert een agrarisch bedrijf en ontving in 2005 vier vrachten dierlijke meststoffen, waarvan één vracht (mestcode 32A) een afwijkend hoog fosfaatgehalte vertoonde. De inspecteur legde een naheffingsaanslag fosfaatheffing op, die na bezwaar werd verminderd maar door belanghebbende werd aangevochten bij de rechtbank. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het Gerechtshof Leeuwarden.

In geschil stond of het analyseresultaat van de mestvracht met mestcode 32A meegenomen mocht worden in de berekening van de fosfaatheffing. Belanghebbende betwistte de juistheid van het analyseresultaat vanwege de grote afwijking van de forfaitaire norm en de andere vrachten, en stelde voor het gemiddelde van de andere vrachten te hanteren. De inspecteur stelde dat mest een heterogeen product is en dat het analyseresultaat, conform het protocol en de keuze voor een verfijnde aangifte, leidend is.

Het hof bevestigde het oordeel van de rechtbank dat het analyseresultaat ten volle moet worden meegenomen. Het hof vond de vergelijking met andere mestcodes niet relevant, en de afwijking van de forfaitaire norm verklaarbaar door heterogeniteit en weersomstandigheden. Ook andere vrachten van dezelfde leverancier vertoonden hoge fosfaatgehalten. Herbemonstering was niet mogelijk, maar dit leidde niet tot een ander oordeel. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag fosfaatheffing bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN
kenmerk: 09/00053
uitspraakdatum: 19 februari 2010
uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
de heer X, wonende te Z,
belanghebbende,
tegen de uitspraak in de zaak met nummer AWB 08/296 van de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) van 9 april 2009, in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Dienst Regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
de inspecteur.
1. Ontstaan en loop van het geding
1.1. Met dagtekening 12 oktober 2007 heeft de inspecteur aan belanghebbende een naheffingaanslag fosfaatheffing voor het jaar 2005 opgelegd ten bedrage van € 7.578.
1.2. Het tegen de naheffingsaanslag ingediende bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak van 28 december 2007 gegrond verklaard. Hij heeft de naheffingsaanslag verminderd tot op een bedrag van € 5.796.
1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft bij de bestreden uitspraak van 9 april 2009, verzonden op dezelfde dag, het beroep ongegrond verklaard. Aldaar is geprocedeerd zoals weergegeven in voormelde uitspraak van de rechtbank.
1.4. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld. Het beroepschrift (met bijlage) is op 20 mei 2009 bij het hof ingekomen. Op 23 juni 2009 heeft het hof de gronden van het beroep ontvangen. De inspecteur heeft op 24 juli 2009 een verweerschrift ingediend.
1.5. Ter zitting van 20 januari 2010 heeft het hof het hoger beroep behandeld. Op de zitting zijn verschenen belanghebbende, zijn echtgenote en zijn gemachtigde A. Namens de inspecteur is verschenen de heer B. Ter zitting heeft de inspecteur drie vervoersbewijzen dierlijke meststoffen overgelegd. Belanghebbende heeft daarvan kunnen kennisnemen en zich erover kunnen uitlaten.
1.6. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.
2. Feiten
Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende vast.
2.1. Belanghebbende exploiteert een agrarisch bedrijf. Voor de bemesting van de grond heeft hij op 24 mei 2005 vier vrachten dierlijke meststoffen (vaste kippenmest) aan laten voeren. Deze vrachten zijn bemonsterd en geanalyseerd. De uitkomsten daarvan zijn als volgt:
mestcode hoeveelheid kg fosfaat kg stikstof kg fosfaat/ton
in kg
a. 31 12.160 388 424 31,9
b. 39 33.380 601 1.045 18
c. 39 27.240 496 741 18,2
d. 32A 16.420 1.658 498 100,9
2.2. De forfaitaire norm voor mestcode 32A is 19,9 kg fosfaat per ton. Belanghebbende heeft geen heranalyse aangevraagd ten aanzien van de analyseresultaten van deze vracht.
2.3. De onder 2.1 sub d vermelde vracht is afkomstig van maatschap C. Deze maatschap heeft in 2005 nog drie andere vrachten met mestcode 32A afgeleverd aan andere afnemers dan belanghebbende. Ook deze vrachten zijn bemonsterd en geanalyseerd. De gegevens hiervan zijn:
datum hoeveelheid kg fosfaat kg stikstof kg fosfaat/ton
in kg
a. 13-05-2005 34.420 4.096 1.256 119
b. 03-06-2005 33.980 3.106 1.084 91,4
c. 17-06-2005 34.260 3.803 1.213 111
2.4. Belanghebbende heeft op 6 september 2006 een forfaitaire aangifte mineralenheffingen 2005 ingediend. In deze aangifte heeft belanghebbende de verschuldigde fosfaatheffing berekend op € 7.578 en de verschuldigde stikstofheffing op nihil. Omdat de verschuldigde fosfaatheffing niet werd voldaan heeft de inspecteur voor voormeld bedrag van € 7.578 de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd.
2.5. In de bezwaarfase dient belanghebbende een zogenaamde verfijnde aangifte in. Na verrekening met het fosfaatsaldo, resteert een verschuldigde fosfaatheffing van € 5.796. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag verminderd tot op dit bedrag.
3. Het geschil
3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de onder 2.1 sub d vermelde vracht dierlijke meststoffen, gelet op het analyseresultaat, meegenomen mag worden in de berekening van de verschuldigde fosfaatheffing.
3.2. Belanghebbende beantwoordt de vraag ontkennend. Zijns inziens kan het analyseresultaat van de onder 2.1 sub d vermelde vracht niet overeenkomstig de werkelijkheid zijn omdat het resultaat te veel afwijkt van de forfaitaire norm en van de analyseresultaten van de onder 2.1 sub a tot en met c genoemde vrachten. Belanghebbende twijfelt aan de juistheid van de bemonstering. Herbemonstering was niet mogelijk omdat de aangevoerde mest na aanvoer direct over belanghebbendes land is uitgereden. Naar het hof begrijpt wenst belanghebbende bij de in geding zijnde vracht voor wat de fosfaatheffing betreft uit te gaan van het gemiddelde aantal kilogrammen fosfaat per ton van de overige drie aan hem geleverde vrachten.
3.3. De inspecteur beantwoordt de vraag bevestigend. Hij wijst erop dat mest een heterogeen product is met variabele gehalten en dat de bemonstering van mest gebeurt volgens een vastgesteld protocol. Omdat belanghebbende ervoor heeft gekozen een verfijnde boekhouding te voeren, moet - nu geen heranalyse is aangevraagd - bij de berekening van de hoeveelheid fosfaat in de aangevoerde mest uitgegaan worden van de analyseresultaten. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
3.4. Voor een meer uitvoerige motivering van de standpunten van de partijen verwijst het hof naar de gedingstukken en hetgeen ter zitting van de rechtbank en het hof is aangevoerd.
4. De overwegingen omtrent het geschil
4.1. De rechtbank heeft in haar uitspraak geoordeeld dat voor de vaststelling van de op grond van de verfijnde aangifte verschuldigde fosfaatheffing het analyseresultaat van de onder 2.1 sub d vermelde vracht ten volle dient te worden meegenomen en dat daarom de in geschil zijnde naheffingsaanslag niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. Het hof onderschrijft dit oordeel van de rechtbank en neemt de daartoe in de uitspraak van de rechtbank onder 3.12 en 3.13 gebezigde gronden over en maakt deze tot de zijne. De omstandigheid dat herbemonstering niet mogelijk was, noopt niet tot een ander oordeel.
4.2. Belanghebbendes stelling dat het analyseresultaat van de onder 2.1 sub d genoemde vracht niet juist kan zijn omdat het resultaat te veel afwijkt van de analyseresultaten van de onder 2.1 sub a tot en met c genoemde drie vrachten, kan hem niet baten. Deze drie vrachten betreffen steeds een andere mestcode, zodat een vergelijking met de analyseresultaten van die vrachten het hof reeds op die grond niet juist voorkomt. Op dezelfde grond acht het hof het niet juist om het gemiddelde analyseresultaat van de drie vrachten toe te passen op de in geschil zijnde vracht.
4.3. Ook de grote afwijking van de forfaitaire norm rechtvaardigt niet de conclusie dat het analyseresultaat van de onder 2.1 sub d genoemde vracht onjuist is. Afwijkingen kunnen immers ontstaan door weersomstandigheden of worden verklaard uit de heterogeniteit van het product. Daarbij komt dat de onder 2.3 vermelde vrachten, met dezelfde mestcode en afkomstig van dezelfde leverancier als de in geding zijnde vracht, ook steeds een hoog fosfaatgehalte laten zien, gemiddeld zelfs hoger dan het analyseresultaat van de in geding zijnde vracht. Het hof heeft dan ook geen reden om aan te nemen dat de bemonstering en/of analyse ondeugdelijk zijn geweest.
4.4. Het bepaalde in artikel 1, aanhef en onder c, van Bijlage 3 behorende bij de Regeling hoeveelheidsbepaling dierlijke en overige organische meststoffen mist toepassing, reeds omdat in onderhavige zaak geen sprake is van vloeibare mest. Bovendien is niet gebleken dat de samenstelling van het monster ten aanzien van fosfor en stikstof systematisch afwijkt van de gemiddelde samenstelling van de vracht.
4.5. Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond. Het hof zal de uitspraak van de rechtbank bevestigen.
5. Proceskosten
Het hof acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
6. De beslissing
Het gerechtshof
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. G.M. van der Meer, voorzitter, mr. J. Huiskes en prof.mr. D.B. Bijl, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2010.
Afschrift aangetekend aan partijen
verzonden op 24 februari 2010
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.