ECLI:NL:GHLEE:2010:BM3022

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
28 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
24-003301-09
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 318 SrArt. 164 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid openbaar ministerie in vervolging afdreiging en pepperspray

De rechtbank Groningen had het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging wegens het ontbreken van een klacht van de slachtoffers bij het misdrijf afdreiging, zoals vereist in artikel 318, tweede lid, Wetboek van Strafrecht. Het hof Leeuwarden heeft dit oordeel vernietigd omdat uit de verklaringen van de slachtoffers blijkt dat zij met hun aangiften de bedoeling hadden dat vervolging zou worden ingesteld.

De slachtoffers hebben verklaard dat zij aangifte deden met het doel dat de daders vervolgd zouden worden en dat zij niet op de hoogte waren van het formele klachtvereiste. Het hof heeft geoordeeld dat het klachtvereiste kan worden aangenomen indien uit het onderzoek blijkt dat de klager de intentie had tot vervolging, ook zonder expliciete klacht.

Daarom verklaart het hof het openbaar ministerie ontvankelijk en wijst de zaak terug naar de rechtbank Groningen voor een nieuwe inhoudelijke behandeling van de zaak tegen verdachte, die wordt verdacht van poging afdreiging en het bezit van pepperspray.

Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Leeuwarden op 28 april 2010.

Uitkomst: Het hof verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk en wijst de zaak terug naar de rechtbank Groningen voor inhoudelijke behandeling.

Uitspraak

Parketnummer: 24-003301-09
Parketnummer eerste aanleg: 18-630472-09
Arrest van 28 april 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Groningen van 14 december 2009 in de strafzaak tegen:
[verdachte],
geboren op [1987] te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats], [adres],
uit andere hoofde verblijvende in P.I. Ter Apel, Gevangenis te Ter Apel,
verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. J.B. Pieters, advocaat te Hoogeveen.
Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank Groningen heeft de officier van justitie voor het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van verdachte.
Gebruik van het rechtsmiddel
De officier van justitie is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen. Hij heeft dit hoger beroep aan verdachte doen betekenen.
Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging
Aan verdachte is onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegd - kort gezegd - (poging) afdreiging van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en het voorhanden hebben van een busje pepperspray, gepleegd in de periode van 2 tot en met 9 september 2009, in de gemeente [gemeente 1] en/of te [gemeente 2].
Ingevolge artikel 318, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt het misdrijf van afdreiging niet vervolgd dan op klacht van hem tegen wie het gepleegd is.
De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting van de behandeling in eerste aanleg van de rechtbank Groningen van 14 december 2009 aangevoerd dat een dergelijke klacht ontbreekt.
De rechtbank heeft daarop bij vonnis van 14 december 2009 de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging.
De officier van justitie is van voormeld vonnis in hoger beroep gekomen.
Het hof overweegt het navolgende:
Hoewel de aangiften van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (aanvankelijk) geen uitdrukkelijk verzoek tot vervolging inhouden, hoeft dit naar het oordeel van het hof niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie te leiden wanneer vaststaat dat beide klachtgerechtigden de bedoeling hadden dat een vervolging zou worden ingesteld.
Voormelde bedoeling blijkt uit de inhoud van een tweetal processen-verbaal1, - zakelijk weergegeven - inhoudende:
als verklaring van [slachtoffer 1]
Op 9 september 2009, heb ik aangifte gedaan van chantage cq afpersing tegen personen die mij dreigden om gegevens, zijnde een geheim van mij, bekend te maken.
Met deze aangifte wilde ik bereiken dat de politie een onderzoek in zou stellen, hierbij de daders zou aanhouden en dat deze mensen vervolgens berecht zouden worden.
Ik heb aangifte gedaan om de mensen te laten vervolgen.
Als ik had geweten, of ik in kennis was gesteld, dat ik ook nog een klacht moest doen, had ik dat zeer zeker gedaan of doe dit alsnog.
als verklaring van [slachtoffer 2]
Op 10 september 2009 heb ik aangifte gedaan omdat iemand mij heeft geprobeerd af te persen, dan wel af te dreigen.
Met deze aangifte had ik de bedoeling om de personen die geprobeerd hebben mij af te persen, dan wel af te dreigen te vervolgen. Ik wist niet dat ik een klacht had moeten doen met het verzoek om de daders te vervolgen. Door aangifte te doen wilde ik dat de daders vervolgd werden en dat wil ik nu ook nog.
Nu ter zitting van het hof onmiskenbaar is komen vast te staan dat aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met het doen van aangifte de bedoeling hadden dat verdachte vervolgd zou worden, is naar het oordeel van het hof voldaan aan het klachtvereiste als omschreven in artikel 318, tweede lid, Wetboek van Strafrecht.
De formele vereisten als opgenomen in artikel 164, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, zijn bij arrest van de Hoge Raad, 11 januari 1994, NJ 1994, 278, gerelativeerd. Het bestaan van een klacht kan volgens de Hoge Raad (ook) worden aangenomen in geval op grond van het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de klager ten tijde van het opmaken van dat stuk de bedoeling had dat een vervolging zou worden ingesteld.
Het hof stelt vast dat hieraan thans is voldaan.
De beslissing van de rechtbank kan daarom niet in stand blijven, en de officier van justitie kan in de vervolging van verdachte worden ontvangen.
De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting van het hof uitdrukkelijk verzocht om, in geval van vernietiging van het vonnis waarvan beroep, de zaak terug te wijzen. Het hof zal daarom de zaak terugwijzen naar de rechtbank Groningen.
De uitspraak
HET HOF,
RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:
vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:
verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;
wijst de zaak terug naar de rechtbank Groningen, teneinde, met inachtneming van dit arrest, na hernieuwde oproeping van de verdachte het onderzoek opnieuw aan te vangen en deze zaak op de bestaande dagvaarding opnieuw te berechten en af te doen.
Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.J. Deuring, voorzitter, mr. A.J. Rietveld en mr. J.H. Bosch, in tegenwoordigheid van G.G. Eisma als griffier.
1 een proces-verbaal nr. 2009089882-45 en een proces-verbaal 2009087619-3, beide d.d. 16 december 2009, op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant], brigadier, Cluster Tactische Recherche Midden/Oost.