ECLI:NL:GHLEE:2010:BM6220

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
31 mei 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
24-000920-09
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Opiumwet
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel bij hennepteelt

De veroordeelde werd door het hof veroordeeld voor het opzettelijk telen van hennep. In hoger beroep stond de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal. In de woning van de veroordeelde werd een hennepkwekerij met 14 planten aangetroffen. De veroordeelde verklaarde tweemaal eerder eenzelfde hoeveelheid te hebben geoogst.

Het hof nam deze verklaring als uitgangspunt en concludeerde dat onvoldoende aanwijzingen bestonden dat de veroordeelde daadwerkelijk financieel voordeel had behaald dat hoger was dan de investeringskosten. De advocaat-generaal had een hoger bedrag gevorderd, maar het hof oordeelde dat dit niet aannemelijk was.

Daarom vernietigde het hof het vonnis van de politierechter en wees de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af. De veroordeelde werd dus niet verplicht tot betaling van het gevorderde bedrag aan de Staat.

Uitkomst: De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt afgewezen.

Uitspraak

Parketnummer: 24-000920-09 (ontnemingszaak)
Parketnummer eerste aanleg: 19-606024-08
Arrest van 31 mei 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Assen van
20 maart 2009, in de zaak strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tegen:
[veroordeelde],
geboren op [1973] te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats], [adres],
verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.R.P. Ossentjuk, advocaat te Groningen.
Het vonnis waarvan beroep
De politierechter in de rechtbank Assen heeft bij voormeld vonnis, op tegenspraak gewezen, onder verwijzing naar het vonnis d.d. 21 november 2008 van voormelde politierechter in de rechtbank Assen in de strafzaak met parketnummer 19-606024-08, het door veroordeelde door middel van en/of uit baten van het door hem gepleegde strafbare feit wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 3.145,- en hem de verplichting opgelegd € 3.145,- aan de Staat te betalen, ter ontneming van dat voordeel.
Gebruik van het rechtsmiddel
De veroordeelde is op de voorgeschreven wijze en tijdig van voormelde uitspraak in hoger beroep gekomen.
Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 12 april 2010 en 17 mei 2010, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de omvang van het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat, zal bepalen op € 3.938,- en de terugbetalingsverplichting zal vaststellen op € 3.938,-.
De beslissing op het hoger beroep
Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, vernietigen en opnieuw recht doen.
De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De veroordeelde is bij arrest van dit hof (parketnummer 24-002960-08) ter zake van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, te weten het opzettelijk telen van hennep, veroordeeld tot een straf.
Beoordeling van de vordering van het openbaar ministerie
In de woning van verdachte is op 13 juni 2008 een ingerichte en in werking zijnde hennepkwekerij bestaande uit 14 planten aangetroffen. Verdachte heeft verklaard eenzelfde hoeveelheid als de aangetroffen hoeveelheid planten tweemaal (eerder) te hebben geoogst. Nu naar het oordeel van het hof niet aannemelijk is geworden dat er vaker is geoogst, zal het hof vorenstaande als uitgangspunt voor de berekening nemen.
Gelet hierop is het hof van oordeel dat er niet voldoende aanwijzingen bestaan dat de veroordeelde uit voornoemd feit daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, nu niet aannemelijk is geworden dat de door veroordeelde genoten inkomsten - met inbegrip van de besparing van kosten - uitgaan boven de investeringskosten. De vordering zal derhalve worden afgewezen.
De uitspraak
HET HOF,
RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:
vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:
wijst de vordering ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel af.
Dit arrest is aldus gewezen door mr. G.M. Meijer-Campfens, voorzitter, mr. S. Zwerwer en mr. H. Heins, in tegenwoordigheid van mr. L. Keekstra als griffier, zijnde mr. Zwerwer voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.