ECLI:NL:GHLEE:2010:BN2893
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Breemhaar
- Rowel-van der Linde
- Van Dorp
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtsverhouding en aansprakelijkheid in geschil over vennootschap onder firma en onrechtmatige daad
In deze civiele zaak stond centraal de vraag of de contractuele relatie tussen appellante en geïntimeerden sinds juli 2003 als een vennootschap onder firma (vof) moet worden gekwalificeerd of als een overeenkomst van opdracht. Appellante stelde dat zij samen met geïntimeerden vennoten waren in een vof, terwijl geïntimeerden dit betwistten. Het hof heeft de stellingen van appellante onderzocht, waaronder de samenwerkingsovereenkomsten en getuigenverklaringen, maar concludeerde dat er onvoldoende bewijs is voor het bestaan van een vof.
Daarnaast behandelde het hof de subsidiaire vorderingen van appellante, waaronder vorderingen tot betaling van redelijke lonen en schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van geïntimeerden. Ook deze vorderingen werden afgewezen omdat appellante onvoldoende heeft onderbouwd dat geïntimeerden buiten opdracht hebben gehandeld of dat het gefactureerde bedrag onredelijk was.
Verder oordeelde het hof dat geïntimeerden niet onrechtmatig hebben gehandeld door aangifte te doen van diefstal van een werkstation, aangezien appellante dit apparaat eigenmachtig had meegenomen. De eerdere vonnissen van de rechtbank Assen werden bekrachtigd en appellante werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof wijst de vorderingen van appellante af en bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank, met veroordeling van appellante in de proceskosten.