ECLI:NL:GHLEE:2010:BN3654

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
24 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.009.460
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Dijkstra
  • Beswerda
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging snelheidsovertreding ondanks mogelijke invloed hoogspanningsleidingen op radarmeting

Betrokkene werd administratief gesanctioneerd wegens het overschrijden van de maximumsnelheid met 22 km/u op de Rijksweg A2 te Utrecht op 13 juni 2007. De snelheid werd vastgesteld met een geijkte radarsnelheidsmeter, waarbij een foto van het voertuig werd gemaakt nabij een hoogspanningsmast.

De gemachtigde van betrokkene voerde aan dat de snelheidsmeting onjuist was omdat deze was verricht in de onmiddellijke nabijheid van hoogspanningsleidingen, wat volgens de Leerstof Waarnemer Radarsnelheidscontroles niet is toegestaan vanwege mogelijke reflecties en elektromagnetische storingen. Het hof vroeg aanvullende informatie op bij de advocaat-generaal en ontving verklaringen van een medewerker politie, een deskundige van het NMi en de fabrikant van de radarapparatuur.

De deskundigen verklaarden dat de elektromagnetische velden van hoogspanningsleidingen op normale afstand (circa 20-30 meter) te klein zijn om de radarmeting te beïnvloeden en dat de hoogspanningsmast te ver weg staat en een slechte reflector is. Reflectie die tot een dubbele snelheid zou leiden, werd uitgesloten op basis van de positie van het voertuig op de foto. Het hof concludeerde dat de meting juist was verricht en bevestigde het vonnis van de kantonrechter. Het verzoek tot vergoeding van kosten werd afgewezen.

Uitkomst: Het hof bevestigt de snelheidsovertreding en oordeelt dat de radarmeting niet is beïnvloed door hoogspanningsleidingen.

Uitspraak

WAHV 200.009.460
24 juni 2010
CJIB 107282087
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Utrecht
van 12 juni 2008
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [woonplaats],
voor wie als gemachtigde optreedt mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Utrecht genomen beslissing ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het procesverloop
De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om vergoeding van kosten.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.
Bij brief van 6 maart 2009 heeft het hof de advocaat-generaal verzocht om aanvullende informatie.
De advocaat-generaal heeft aanvullende informatie in het geding gebracht.
De gemachtigde van de betrokkene heeft gereageerd op de aanvullende informatie.
Bij brief van 10 juni 2009 heeft het hof opnieuw de advocaat-generaal verzocht om aanvullende informatie.
De advocaat-generaal heeft opnieuw aanvullende informatie in het geding gebracht.
De gemachtigde van de betrokkene heeft opnieuw gereageerd op de aanvullende informatie.
Bij brief van 12 november 2009 heeft het hof de advocaat-generaal nogmaals verzocht om aanvullende informatie.
De advocaat-generaal heeft aanvullende informatie in het geding gebracht.
De gemachtigde van de betrokkene heeft gereageerd op de aanvullende informatie.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 122,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximumsnelheid op autosnelwegen, met 22 km/h (verkeersbord A1 + wegwerkzaamheden)”, welke gedraging zou zijn verricht op 13 juni 2007 om 12.58 uur op de Rijksweg A2 te Utrecht met het voertuig met het kenteken [00-AB-AB].
2. Voornoemde gedraging is vastgelegd op een foto, van welke foto zich een kopie in het dossier bevindt. Op de foto wordt het gemeten voertuig getoond in afgaande richting. Voorts is op de foto naast de weg een deel van een hoogspanningsmast zichtbaar, met een aantal daar aanhangende lijnen.
3. De gemachtigde van de betrokkene kan zich niet verenigen met de beslissing van de kantonrechter. Hij stelt zich op het standpunt dat de kantonrechter niet adequaat heeft gereageerd op zijn verweer dat de snelheidsmeting niet juist is verricht. Op de bij de stukken van het geding aanwezige foto van de gedraging is namelijk waar te nemen dat de meting heeft plaatsgevonden in de nabijheid van hoogspanningsleidingen, terwijl die leidingen een reflecterende invloed op de radarbundel kunnen hebben gehad. De gemachtigde wijst in dit verband op paragraaf 6.2 sub c Leerstof Waarnemer Radarsnelheidscontroles, waarin onder meer staat dat het meten in de onmiddellijke nabijheid van hoogspanningsleidingen niet is toegestaan. Derhalve is de snelheidsmeting ten onrechte in strijd met de instructies voor radarsnelheidswaarnemers verricht, aldus de gemachtigde.
4. De door de gemachtigde overgelegde pagina uit de Leerstof Waarnemer Radarsnelheidscontroles vermeldt het volgende: "Het meten in de onmiddellijke nabijheid van hoogspanningsleidingen, straalverbindingstorens en radarinstallaties is niet toegestaan, evenmin als het meten op of bij bruggen, staalconstructies e.d. wanneer die een reflecterende invloed op de radarbundel kunnen hebben."
5. De ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB houdt onder meer - zakelijk weergegeven - in dat de bestuurder van een grijze Hyundai Santa Fe met het kenteken [00-AB-AB] op 13 juni 2007 bij hectometerpaal 57,8 reed met een (gecorrigeerde) snelheid van 112 km per uur, terwijl de maximumsnelheid was vastgesteld op 90 km per uur. Deze verklaring stemt overeen met de bij de stukken van het geding aanwezige kopie van de foto van de gedraging.
Voorts heeft de verbalisant - blijkens het zaakoverzicht van het CJIB - nog het volgende verklaard:
"De geldende limiet werd bepaald door borden A1. Deze borden werden voorafgaand aan en na afloop van de handhaving gecontroleerd en stonden:
Bij hmp. 60,3 borden A1 90 + J16 links en rechts van de rijbaan.
Bij hmp. 59,7 op de toerit A1 90 + J16 alleen rechts van de weg.
Bij hmp 58,5 borden A3 3x 90 km.
Bij hmp. 57,8 controleplaats.
Bij hmp. 57,8 matrix A3 3x 90 km.
Bij hmp. 56,6 matrix einde, boven 3 rijstroken. (…).
De werkelijke snelheid stelde ik vast m.b.v. een voor de meting geteste, geijkte en op de voorgeschreven wijze gebruikte radarsnelheidsmeter. (…)
De gedraging vond plaats buiten de bebouwde kom. Er waren wel wegwerkzaamheden. Er werd wel gewerkt. Er waren wel gevaarscheppende elementen. (…)."
6. Naar aanleiding van het door de gemachtigde gevoerde verweer heeft het hof de advocaat-generaal verzocht om aanvullende informatie met betrekking tot de mogelijke invloed van hoogspanningsleidingen op een radarmeting.
7. Bij aanvullend proces-verbaal van 31 maart 2009 heeft [medewerker politie], procesvoerder Electronisch Verkeerstoezicht, het volgende verklaard:
"De fabrikant van de gebezigde radarapparatuur (Multanova 6F) stelt als gebruiksinstructie dat de werking van de radar beperkt is tot een afstand in lengte die in ieder geval valt binnen de volledige breedte van een autosnelweg. De bundel van de radar beperkt zich tevens tot een maximale breedte van enkele tientallen meters. Op basis hiervan is er van 'de onmiddellijke nabijheid' geen sprake als er evenwijdig aan de snelweg hoogspanningsleidingen aanwezig zijn. Bij hoogspanningskabels die schuin of dwars over de snelweg hangen geldt de instructie dat het niet is toegestaan de radarapparatuur zo te gebruiken dat de werking van de radar (deels) onder de hoogspanningsleidingen geschiedt. De locatie waar de gedraging is vastgesteld kenmerkte zich door het feit dat er een reconstructie van de autosnelweg plaatsvond. De rechter rijbaan was enkele tientallen meters verlegd, waardoor er een brede ruimte was ontstaan tussen de beide rijbanen. De meting vond plaats vanaf deze tussenruimte, dus gezien de rijrichting van het verkeer vanuit de linker berm. Er was geen sprake van 'een volledige breedte van de autosnelweg' en de afstand van de radarapparatuur tot de hoogspanningsleidingen, bij een meting haaks op de rijbaan, bedroeg ongeveer 30 meter. Om deze reden deed ik navraag bij de leverancier van de radarapparatuur met de vraag of op basis van de bij de stukken gevoegde foto kan worden vastgesteld of de aanwezigheid van de hoogspanningsleidingen enige nadelige invloed zou kunnen hebben gehad op de meting. De leverancier [leverancier], legde de vraag voor aan de fabrikant [fabrikant]. Het antwoord van de fabrikant (…) luidde:
'De gemeten snelheid op de foto is correct. Er zijn verschillende redenen waarom de paal geen valse metingen kan veroorzaken.
Reflecties:
De paal staat te ver weg en is een slechte reflector en heeft dus geen invloed op de meting. Invloeden van de hoogspanningsleiding:
De spanningsleidingen hebben een andere frequentie en hebben dus geen invloed op de meting. De hoogspanningsleidingen bevinden zich te hoog om problemen te veroorzaken en de hoek van de radarstraling is te klein.'"
8. Ingenieur P.E. Kok, Senior Product Manager bij het NMi, heeft bij schrijven van 9 juli 2009 onder meer het volgende verklaard:
"Vraag 1. Wat is de achtergrond van de instructie?
Antwoord: Deze instructie is gebaseerd op informatie afkomstig van de fabrikant. Omdat de fabrikant niet kan bepalen wat de grootte van de optredende elektromagnetische velden bij hoogspanningslijnen kan zijn en daardoor ook niet kan inschatten wat het mogelijke gevolg van de elektromagnetische velden kan zijn, is de voorzorg genomen de apparatuur niet aan de velden bloot te stellen.
Vraag 2. Wat zijn de mogelijke gevolgen wanneer in strijd met de leerstof de radarsnelheidsmeting plaatsvindt in de onmiddellijke nabijheid van hoogspanningsleidingen?
Antwoord: Omdat de grootte van de elektromagnetische velden niet bekend is, wordt er ook niet op deze mogelijke verstoring getest. De gevolgen voor het instrument zijn dan ook niet bekend. Het bepalen van de grootte van de optredende velden bij hoogspanningslijnen zou een enorme inspanning vergen onder meer door de variabele stroomsterkte door de lijnen. Vervolgens zouden de daaruit verkregen waarden weer gegenereerd worden door testapparatuur om het gedrag van de radarsnelheidsmeter te bekijken."
9. Voorts heeft de advocaat-generaal een e-mailbericht van de heer [medewerker van de fabrikant], in het geding gebracht. Deze in het Duits gestelde informatie is op verzoek van de advocaat-generaal vertaald door een beëdigd vertaalster. De vertaling luidt als volgt:
"Het staat vast dat het elektrische veld dat door hoogspanningsleidingen wordt veroorzaakt, geen invloed heeft op de radarmeting. Verkeersregelinstallaties worden, voordat ze worden toegelaten, onderzocht op hun bestendigheid tegen storingen door elektromagnetische straling. Alleen als deze storingsongevoeligheid wordt bewezen, vindt goedkeuring van het betreffende type plaats. Welke installatie het betreft, speelt hierbij geen rol: het gaat om alle installaties die bij de verkeersregeling worden toegepast. Alleen mechanische reflectoren kunnen een negatief effect op radarmetingen hebben, namelijk als de laserstraal (het hof leest: radarbundel) geknikt terugkomt via een andere structuur dan het beoogde voertuig of als bij de meting dubbele weerkaatsing optreedt (bijvoorbeeld bij de masten van bovengenoemde hoogspanningsleidingen, als deze de laserstraal (het hof leest: radarbundel) reflecteren). In het onderhavige geval bevindt het voertuig zich echter in de juiste positie voor de foto, zodat afknikken van de laserstraal (het hof leest: radarbundel) is uitgesloten. Ook de snelheid is plausibel. (Bij reflectie door hoekreflectoren - wat bij een hoogspanningsmast voor zou kunnen komen - zou de dubbele snelheid zijn gemeten. Dan zou de snelheid van het gemeten voertuig 58 km/u zijn geweest, en dat zou de ambtenaar die de meting uitvoerde zeker zijn opgevallen.) Als er sprake zou zijn van een meting met dubbele weerkaatsing door de invloed van hoekreflectoren, zou het voertuig zich op de afbeelding op een ander plaats hebben bevonden. Daarom kan op basis van de beschikbare informatie alleen worden geconcludeerd dat de meting in orde is (…)."
10. Omdat de informatie van de heer [medewerker van de fabrikant], in strijd is met de informatie van de deskundige van het NMi, ingenieur P.E. Kok, is ingenieur P.E. Kok in de gelegenheid gesteld te reageren op de informatie van [medewerker van de fabrikant]. De reactie van ingenieur P.E. Kok luidt als volgt:
"Naar aanleiding van deze verklaring (het hof leest: de verklaring van [medewerker van de fabrikant]) heb ik contact opgenomen met [fabrikant] (de bron van de verklaring). Uit dit contact mocht ik opmaken dat ze niet bedoeld hebben dat de apparatuur op dit aspect getest is. (…).
Daarnaast heeft [fabrikant] ook naar de situatie van de desbetreffende snelheidsovertreding gekeken en mij verteld dat de hoogspanningslijnen zich tenminste honderd meter verder bevinden. Inderdaad is in dat geval de te verwachten invloed nihil. In de tussentijd heb ik ook kennis genomen over de te verwachten veldsterkte van een hoogspanningslijn. Deze blijkt op een normale afstand van de lijnen (ca 20 meter) al dusdanig klein te zijn dat invloed op de snelheidsmeting uit te sluiten is. Daar is feitelijk ook de verklaring van [fabrikant] op gebaseerd. Aanvullend kan ik verklaren dat ten tijde van het samenstellen van de informatie van de leerstof (wat vermoedelijk in de tachtiger jaren plaatsvond) informatie over de grootte van hoogspanningsvelden niet bekend was. Heden ten dage is daar wel onderzoek naar gedaan en heeft men vastgesteld dat deze velden (op normale afstand) zeer klein zijn."
11. Naar aanleiding van voornoemde aanvullende informatie heeft de gemachtigde onder meer nog aangevoerd dat - gelet op de foto van de gedraging - in het geheel niet is gebleken dat de leidingen zich op een afstand van meer dan honderd meter bevinden. Ook brengt de enkele omstandigheid dat een voertuig zich op de juiste positie op de foto bevindt naar de mening van de gemachtigde niet mee dat reflectie per definitie kan worden uitgesloten. Daarbij merkt de gemachtigde op dat de betrokkene ten tijde van de gedraging wellicht 58 kilometer per uur heeft gereden. Een snelheid van 58 kilometer per uur komt in Nederland vaker voor in geval van file of anderszins vertragend verkeer.
12. Het hof stelt vast dat in de - door de gemachtigde overgelegde - Leerstof Waarnemer Radarsnelheidscontroles in paragraaf 6.2 sub c onder meer is opgenomen dat meten in de onmiddellijke nabijheid van hoogspanningsleidingen niet is toegestaan. Deze instructie heeft tot doel te voorkomen dat de resultaten van de snelheidsmeting worden beïnvloed door - voor zover hier van belang - de aanwezigheid van een hoogspanningsleiding. Daarbij valt te denken aan elektromagnetische straling van de leidingen en reflectie door de mast. Gelet op de in onderhavige zaak naar voren gekomen informatie, ziet het hof echter geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de gedane snelheidsmeting. Het hof overweegt daartoe als volgt. Ingenieur P.E. Kok heeft namens het NMi verklaard dat de te verwachten veldsterkte van een hoogspanningslijn op een normale afstand van de lijnen (circa 20 meter) dusdanig klein is, dat invloed op de snelheidsmeting uit te sluiten is. Mede in aanmerking genomen dat [medewerker politie] in het op 31 maart 2009 op ambtseed opgemaakte aanvullend proces-verbaal heeft aangegeven dat de afstand van de radarapparatuur tot de hoogspanningsleidingen - bij een meting haaks op de rijbaan - ongeveer 30 meter bedroeg, ziet het hof geen aanleiding te vermoeden dat de van hoogspanningsleidingen afkomstige elektromagnetische straling invloed heeft gehad op de gedane snelheidsmeting. Dat de hoogspanningsmast in dit geval een reflecterende werking op de radarbundel heeft gehad en derhalve een nadelige invloed op de verrichte meting heeft uitgeoefend, is het hof niet aannemelijk geworden. [fabrikant] heeft weliswaar - in het algemeen - opgemerkt dat hoogspanningsmasten kunnen reflecteren, waardoor een dubbele snelheid gemeten kan worden, maar het hof heeft voor het oordeel dat daarvan in onderhavige zaak sprake is, geen aanknopingspunten gevonden. Van belang daartoe acht het hof dat van de zijde van [fabrikant] aan de hand van de van de gedraging gemaakte foto is verklaard dat de mast te ver weg staat en een slechte reflector is, terwijl het voertuig, waarvan de snelheid gemeten is, op de juiste positie op de foto staat, zodat afknikken van de radarbundel uitgesloten is. Daarbij neemt het hof tevens in aanmerking dat de gemachtigde eerst in reactie op de verklaring van [fabrikant] de mogelijkheid heeft opengelaten dat de betrokkene ter plaatse met een snelheid van 58 kilometer per uur reed. Het had voor de hand gelegen dat de betrokkene eerder in de procedure zou hebben aangevoerd dat hij door de omstandigheden ter plaatse zijn snelheid zodanig had teruggebracht dat hij met een veel lagere snelheid dan 90 kilometer per uur heeft kunnen rijden. Gelet hierop is niet gebleken dat de aanwezigheid van de hoogspanningsmast en -leiding het resultaat van de snelheidsmeting heeft beïnvloed. Derhalve kan niet worden geoordeeld dat - in strijd met paragraaf 6.2 onder c van voornoemde Leerstof - is gemeten in de onmiddellijke nabijheid van de hoogspanningsleiding, zoals deze instructie in het licht van het doel daarvan moet worden uitgelegd. Het verweer treft derhalve geen doel. Naar de overtuiging van het hof is komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
13. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het hof het verzoek tot vergoeding van kosten afwijzen.
Beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Beswerda en Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Samplonius als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.