ECLI:NL:GHLEE:2010:BN5832
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Janse
- Tjallema
- Van Rijssen
- Rechtspraak.nl
Geen bevoegdheid tot vordering op grond van precontractuele goede trouw bij vertegenwoordiging derde
In deze civiele zaak stond centraal of het waterschap onrechtmatig heeft gehandeld door de onderhandelingen met Maasgrond over de verwerking van baggerspecie uit het Havenkanaal te Assen voortijdig te beëindigen. Maasgrond stelde dat zij gerechtvaardigd mocht vertrouwen op het sluiten van een overeenkomst met het waterschap, mede omdat zij als partij werd genoemd in een conceptovereenkomst en omdat Essent, waarvan zij middellijk bestuurder was, betrokken was bij de onderhandelingen.
Het hof stelde vast dat de conceptovereenkomst en de besprekingen wezen op Essent als contractspartij en niet op Maasgrond. De directeur van Maasgrond trad op als vertegenwoordiger van Essent. De stelling van Maasgrond dat zij zelf partij was, werd door het hof verworpen. Ook het argument dat Essent middellijk aandeelhouder en bestuurder van Maasgrond was, was niet relevant.
Het hof concludeerde dat Maasgrond onvoldoende had gesteld om te mogen vertrouwen op een overeenkomst met het waterschap. De vordering werd daarom afgewezen en het vonnis van de rechtbank werd bekrachtigd. Maasgrond werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof wees de vordering van Maasgrond af en bekrachtigde het vonnis van de rechtbank.