ECLI:NL:GHLEE:2010:BN6887

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
10 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
24-002239-09
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10.2 Wet milieubeheerArt. 10 Flora- en faunawetArt. 11 Flora- en faunawetArt. 14a SrArt. 14b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep verbranding snoeihout met vernieling vogelnesten beschermde diersoorten

Het gerechtshof Leeuwarden heeft op 10 september 2010 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen verdachte die was veroordeeld voor het verbranden van snoeihout waarin vogelnesten van beschermde inheemse diersoorten aanwezig waren. De feiten vonden plaats tussen 1 en 28 april 2008 in een plaats binnen een Nederlandse gemeente.

Verdachte had bulten snoeihout buiten de toegestane periode verbrand, waarbij nesten van zanglijsters, merels en andere beschermde vogels werden vernield en de dieren verontrust. Dit leverde overtredingen op van artikel 10.2 van de Wet milieubeheer en artikelen 10 en 11 van de Flora- en faunawet. Het hof achtte verdachte strafbaar en wees strafuitsluitingsgronden af.

Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en legde lagere voorwaardelijke geldboetes op, mede gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zijn lange ervaring als boer en het feit dat hij in voorgaande jaren tijdig het snoeihout had verbrand. De geldboetes zijn gekoppeld aan een proeftijd van één jaar, met een dag vervangende hechtenis bij niet-betaling.

De uitspraak benadrukt het belang van bescherming van bodem, milieu en inheemse diersoorten, maar houdt ook rekening met de omstandigheden en gedragingen van verdachte. Het hof sprak verdachte vrij van overige tenlastegelegde feiten die niet bewezen konden worden.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot voorwaardelijke geldboetes met proeftijd wegens verbranding van snoeihout met vogelnesten van beschermde diersoorten.

Uitspraak

Parketnummer: 24-002239-09
Parketnummer eerste aanleg: 17-992005-09
Arrest van 10 september 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, economische kamer,
op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 7 september 2009 in de strafzaak tegen:
[verdachte],
geboren op [1948] te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats], [adres],
verschenen in persoon.
Het vonnis waarvan beroep
De economische politierechter in de rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.
Gebruik van het rechtsmiddel
De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.
Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte terzake van de feiten 1, 2 en 3 zal veroordelen tot een geldboete van € 1.000,-, waarvan € 500,- voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
De beslissing op het hoger beroep
Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:
1.
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 april 2008 tot en met 28 april 2008 te [plaats], gemeente [gemeente], al dan niet opzettelijk, zich van afvalstoffen te weten snoeihout heeft ontdaan door deze - al dan niet in verpakking - buiten een inrichting te storten, anderszins op of in de bodem te brengen of te verbranden;
2.
hij op of omstreeks 28 april 2008, te [plaats], gemeente [gemeente], één of meer dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten Tjiftjaf en/of zanglijster en/of een merel en/of een braamsluiper, opzettelijk heeft verontrust, immers stond(en) één of meer bult(en) bestaande uit takken en/of snoeihout waarin/waarbij voornoemde dier(en) aanwezig was/waren in brand en/of was/waren één of meer bult(en) opgebrand;
3.
hij op of omstreeks 28 april 2008, te [plaats], gemeente [gemeente], al dan niet opzettelijk één of meer nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten zanglijster(s) en/of merel(s) heeft beschadigd, vernield, uitgehaald, weggenomen en/of verstoord, immers stond(en) één of meer bult(en) bestaande uit takken en/of snoeihout waarin zich die nesten van voornoemde dier(en) bevonden in brand en/of was/waren één of meer bult(en) opgebrand.
Bewezenverklaring
Het hof acht bewezen dat:
1.
hij op één of meer tijdstippen in de periode van 01 april 2008 tot en met 28 april 2008 te [plaats], gemeente [gemeente], opzettelijk zich van afvalstoffen te weten snoeihout heeft ontdaan door deze buiten een inrichting te verbranden;
2.
hij op of omstreeks 28 april 2008, te [plaats], gemeente [gemeente], dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten Tjiftjaf en zanglijster en een merel en een braamsluiper, opzettelijk heeft verontrust, immers stonden bulten bestaande uit takken en snoeihout waarin/waarbij voornoemde dieren aanwezig waren in brand en/of waren één of meer bulten opgebrand;
3.
hij op of omstreeks 28 april 2008, te [plaats], gemeente [gemeente], opzettelijk nesten van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten zanglijster en merels heeft vernield, immers stonden bulten bestaande uit takken en snoeihout waarin zich die nesten van voornoemde dieren bevonden in brand en/of waren één of meer bulten opgebrand.
Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.
Kwalificatie
Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:
feit 1:
overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.2 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan;
en feit 3:
overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 11 van Pro de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan;
en de overtreding:
feit 2:
overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10 van Pro de Flora- en faunawet.
Strafbaarheid
Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft bulten met snoeihout verbrand buiten de periode waarin hem daarvoor ontheffing was verleend. In de bulten met snoeihout bevonden zich nesten van beschermde inheemse diersoorten, te weten van merels en van een zanglijster, welke nesten door het verbranden van de bulten zijn vernield. Voorts bevonden zich in en bij deze bulten nog andere inheemse beschermde vogelsoorten, die door het verbranden van de bulten zijn verontrust. Verdachte heeft zich met het verbranden van het snoeihout schuldig gemaakt aan overtreding van een voorschrift van de Wet milieubeheer. Het belang van dat voorschrift is de bescherming van bodem en milieu. Door zijn handelen heeft verdachte dit belang veronachtzaamd. Daarnaast heeft verdachte door zijn handelen twee voorschriften van de Flora- en faunawet overtreden, welke voorschriften ertoe strekken de genoemde inheemse diersoorten te beschermen.
Uit het verdachte betreffende Uittreksel Justitieel Documentatieregister d.d. 9 juli 2010, blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld.
Het hof ziet aanleiding af te wijken van hetgeen de rechter in eerste aanleg als straf heeft opgelegd en van hetgeen de advocaat-generaal heeft geëist. Het hof heeft daarbij met name acht geslagen op hetgeen verdachte ter terechtzitting van het hof naar voren heeft gebracht omtrent de problemen die hij in het voorjaar van 2008 had en de risico's voor zijn koeien bij het niet verbranden van het snoeihout. Voorts acht het hof van belang dat uit de verklaring van verdachte blijkt dat hij nu 24 jaar boer is en dat het hem alle andere jaren is gelukt om tijdig, voordat het broedseizoen is begonnen, zijn snoeihout te verbranden. Het hof zal derhalve aan verdachte lagere voorwaardelijke geldboetes opleggen.
Toepassing van wetsartikelen
Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 57 en 62 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 10.2 van de Wet milieubeheer en de artikelen 10 en 11 van de Flora- en faunawet, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.
De uitspraak
HET HOF,
RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:
vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:
verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;
verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;
veroordeelt verdachte [verdachte]
terzake van de misdrijven onder 1 en 3 tot een geldboete van vijf euro;
beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van één dag zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;
beveelt, dat de geldboete niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van één jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
terzake van de overtreding onder 2 tot een geldboete van vijf euro;
beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van één dag zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;
beveelt, dat de geldboete niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van één jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is aldus gewezen door mr. O. Anjewierden, voorzitter, mr. K.J. van Dijk en mr. G.M. Meijer-Campfens, in tegenwoordigheid van mr. W. Landstra als griffier, zijnde mr. G.M. Meijer-Campfens buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.