ECLI:NL:GHLEE:2010:BP0682

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
23 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.075.792
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging verlenging machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige kinderen

Het gerechtshof Leeuwarden heeft op 23 december 2010 uitspraak gedaan in hoger beroep over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen, [kind 1] en [kind 2]. De moeder had bezwaar gemaakt tegen de verlenging van de uithuisplaatsing, gebaseerd op een FORA-rapportage die volgens haar onjuist was vanwege de korte observatieperiode en de betrokkenheid van de vader.

Het hof oordeelde dat er geen reden was om aan de juistheid van het FORA-onderzoek te twijfelen, mede omdat de conclusies werden ondersteund door andere onderzoeken. De kinderen hebben een licht verstandelijke beperking en ontwikkelingsachterstanden, waardoor zij behoefte hebben aan een gestructureerde en sensitieve opvoeding die de moeder naar het oordeel van het hof niet kan bieden.

De moeder stelde dat zij haar gezinssituatie onder controle had en de zorg voor de kinderen aankon, maar het hof vond dat de problematiek van alle kinderen en de moeder zelf, alsmede eerdere mislukte terugplaatsingspogingen, dit niet ondersteunden. Het belang van de kinderen bij continuïteit en stabiliteit in hun opvoedingssituatie woog zwaar, waardoor het hof de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing bekrachtigde.

Uitkomst: De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige kinderen wordt bekrachtigd.

Uitspraak

Beschikking d.d. 23 december 2010
Zaaknummer 200.075.792
HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN
Beschikking in de zaak van
[Naam],
wonende te [woonplaats],
appellante,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. K.E. Wielenga, kantoorhoudende te Leeuwarden,
tegen
Bureau Jeugdzorg Friesland,
gevestigd te Leeuwarden,
geïntimeerde,
hierna te noemen: BJZ.
Belanghebbenden:
1. [naam],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. P. Rijnsburger, kantoorhoudende te Leeuwarden,
2. [Naam familie],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: de pleegouders.
Het geding in eerste aanleg
Bij beschikking van 22 juli 2010 heeft de kinderrechter in de rechtbank Leeuwarden de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen [naam kind 1] (hierna: [kind 1]), geboren op [1996] in de gemeente [plaats], en [naam kind 2] (hierna: [kind 2]), geboren op [1997] in de gemeente [plaats], met ingang van
1 augustus 2010 verlengd tot 9 april 2011.
Het geding in hoger beroep
Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 18 oktober 2010, heeft de moeder verzocht de beschikking van 22 juli 2010 te vernietigen en opnieuw beslissende het door BJZ gedane verzoek, om de machtiging tot uithuisplaatsing met betrekking tot [kind 1] en [kind 2] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van een jaar te verlengen, af te wijzen.
Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 9 november 2010, heeft BJZ het verzoek bestreden en verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.
Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 11 november 2010, heeft de vader verzocht het verzoek van de moeder in te willigen en de bestreden beschikking te vernietigen en het door BJZ gedane verzoek, om de machtiging tot uithuisplaatsing met betrekking tot [kind 1] en [kind 2] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van een jaar te verlengen, af te wijzen.
Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief, gedateerd 26 oktober 2010 en bij het hof binnengekomen op 23 november 2010, met bijlagen van mr. Wielenga en een brief van 27 oktober 2010 van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad).
Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben de minderjarigen [kind 1] en [kind 2] hun mening niet kenbaar gemaakt.
Ter zitting van 29 november 2010 is de zaak behandeld. Verschenen is de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Namens BJZ waren mevrouw mr. S. Polak en mevrouw J.P.M. Kemps aanwezig. Voort is de vader verschenen, bijgestaan door
mr. J.F. Rouwé-Danes. Hoewel behoorlijk opgeroepen zijn de pleegouders niet verschenen. Door mr. Polak zijn pleitnotities overgelegd.
De beoordeling
De vaststaande feiten
1. Uit de affectieve relatie tussen de moeder en de vader zijn [kind 1] en [kind 2] geboren. Uit die relatie zijn tevens op [1992] [naam kind 3], op [2000] [kind 4] en op [2002] [kind 5] geboren. De vader heeft [kind 2] niet erkend. De moeder is alleen met het gezag over hem belast. Over de andere vier kinderen hebben de ouders gezamenlijk het gezag.
2. Bij beschikking van 9 april 2003 zijn [naam kind 3], [kind 1] en [kind 2] onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstellingen van [kind 1] en [kind 2] zijn laatstelijk verlengd bij beschikking van 22 juli 2010 tot 9 april 2011.
3. [kind 1] en [kind 2] verblijven sinds 16 maart 2005 in het gezin van de pleegouders. De machtigingen tot uithuisplaatsing zijn laatstelijk verlengd bij beschikking van 30 juni 2010 tot 1 augustus 2010.
4. [naam kind 3], [kind 4] en [kind 5] worden binnen het gezin van de moeder verzorgd en opgevoed. De vader woont niet meer op hetzelfde adres als de moeder.
5. BJZ heeft verzocht de machtigingen tot uithuisplaatsing van [kind 1] en [kind 2] opnieuw te verlengen. Op dit verzoek heeft de rechtbank bij de bestreden beschikking beslist zoals hiervoor is weergegeven onder 'Het geding in eerste aanleg'. De moeder heeft tegen die beschikking hoger beroep ingesteld.
De overwegingen
Ten aanzien van de FORA-rapportage
6. De moeder stelt zich op het standpunt dat door FORA een onjuiste inschatting is gemaakt op basis van een korte observatie. Zij wijst erop dat de vader bij die observatie was betrokken, terwijl de ouders al geruime tijd gescheiden zijn en ook al geruime tijd niet meer samenwonen. Ze merkt op dat het in het verleden juist de problematiek van de vader was, die voor de nodige onrust en problemen zorgde binnen het gezin. De moeder is dan ook van mening dat de observatie zonder de vader had moeten plaatsvinden. Daarnaast stelt de moeder zich op het standpunt dat de conclusies van FORA slechts inschattingen zijn. De moeder is dan ook van mening dat de conclusies in het rapport van FORA niet mogen worden gevolgd.
7. Het hof is van oordeel dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van het FORA-onderzoek en de daarop voortkomende rapportage. Het hof overweegt daartoe dat de conclusies van FORA steun vinden in de resultaten van de onderzoeken van Accàre en het NIFP. Dat de conclusies van FORA inschattingen zijn, vloeit voort uit de aard van het onderzoek en uit het feit dat het niet in het belang van de kinderen kan worden geacht wanneer zij gedurende de onderzoeksperiode bij de moeder thuis geplaatst zouden worden. Het hof is dan ook met BJZ van oordeel dat de FORA-rapportage dient te worden betrokken in de beoordeling van het verzoek tot verlenging van de uithuisplaatsing van [kind 1] en [kind 2].
Ten aanzien van het verzoek tot verlenging van de uithuisplaatsing van [kind 1] en [kind 2]
8. De duur van de machtiging tot uithuisplaatsing kan worden verlengd indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen of indien dit noodzakelijk is tot onderzoek van de geestelijke of lichamelijke gesteldheid van de minderjarigen.
9. Anders dan de ouders is het hof van oordeel dat de gronden voor uithuisplaatsing nog steeds aanwezig zijn. Het hof overweegt daartoe het volgende. Uit de stukken blijkt dat [kind 1] een licht verstandelijke beperking heeft en is gediagnosticeerd met PDD-NOS. Ze heeft een algemene ontwikkelingsachterstand en een forse achterstand wat betreft haar ego-ontwikkeling. Ook [kind 2] heeft problematiek. Hij heeft moeite met het reguleren van emoties en spanningen en reageert dan met verbale en fysieke agressie. Er is nog geen reflectie over gevoelens en motieven of een onderscheid tussen oorzaak en gevolg. Hij heeft daarmee een forse achterstand op leeftijdgenoten. Daarnaast is sprake van een algehele ontwikkelingsachterstand.
10. Uit het FORA-rapport blijk dat beide kinderen door hun problematiek behoefte aan duidelijkheid, rust en structuur hebben. Daarnaast heeft [kind 1] ondersteuning nodig in het omgaan met haar eigen en andermans emoties. Haar beperkingen, achterstand en problematiek vragen om een sensitieve en geduldige opvoeder, die in staat is om duidelijke grenzen te stellen. Tevens moeten de opvoeders in staat zijn met enige emotionele neutraliteit te opereren, ook in stress- en conflictsituaties. Ook voor [kind 2] is het van groot belang dat zijn opvoeder sensitief is en kan aansluiten bij zijn ontwikkelingsniveau en zijn behoeften. Verder moet hij in zijn woonsituatie voldoende rust en veiligheid ervaren.
11. De moeder stelt zich op het standpunt dat zij zelf kan voldoen aan de hiervoor genoemde hoge eisen die gesteld worden aan de verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2]. Volgens de moeder blijkt uit de stukken dat zij haar huidige gezinssituatie met de drie thuiswonende kinderen en de huidige hulp aankan. Zij wijst erop dat Talant heeft aangegeven dat de thuiswonende kinderen goed functioneren en dat daarnaast de behandeling van de moeder bij de GGZ succesvol is. Mede door het vertrek van de vader uit het gezin is de stabiliteit in de thuissituatie toegenomen.
12. Hoewel deze informatie van de moeder steun vindt in de stukken, is het hof van oordeel dat daaruit niet zonder meer afgeleid kan worden dat de moeder ook in staat moet worden geacht de verzorging en opvoeding van in totaal vijf kinderen op zich te nemen. Daarbij overweegt het hof dat niet alleen [kind 1] en [kind 2], maar ook de drie thuiswonende kinderen ieder hun eigen problematiek kennen en dat ook de moeder haar eigen problemen heeft. Voorts is de hulpverlening die tot voor kort in het gezin aanwezig was, gericht geweest op de drie thuiswonende kinderen. Indien [kind 1] en [kind 2] thuisgeplaatst zouden worden, zou hiervoor extra hulpverlening ingeschakeld moeten worden. Uit het FORA-onderzoek is echter naar voren gekomen dat nog meer hulpverlening de moeder waarschijnlijk eerder extra zal belasten dan dat zij daardoor wordt ontlast. Bovendien blijkt uit dat onderzoek dat de moeder de neiging heeft om af te haken of de hulpverlening de rug toe te keren zodra zij wordt geconfronteerd met een andere visie of een kritische houding. Daarnaast is uit het FORA-onderzoek gebleken dat de moeder moeite heeft om probleemgedrag te signaleren en te hanteren. Ze heeft een gebrek aan inlevingsvermogen ten aanzien van [kind 1] en [kind 2]. De moeder heeft de neiging problemen te bagatelliseren of buiten zichzelf te leggen. Daarnaast is in 2006 reeds tot tweemaal toe gestart met een 'terug naar huis'-traject. Beide keren is het traject beëindigd, vanwege het aanhoudende verzet van de moeder tegen de hulpverlenende instanties en doordat zij niet openstond voor communicatie met BJZ en er geen afspraken met haar waren te maken.
13. Het hof is met BJZ van oordeel dat het belang van de kinderen zich ertegen verzet om bij herhaling te proberen de kinderen weer thuis te plaatsen. Daarbij is onder meer van belang dat de kinderen op grond van het Internationaal Verdrag van de Rechten van het Kind recht hebben op continuïteit in hun opvoedingssituatie. Op grond van het FORA-onderzoek bestaan bij het hof voorts ernstige twijfels over de capaciteiten van de moeder om de verzorging en opvoeding van vijf kinderen, met ieder hun eigen problematiek en die ieder hun eigen specifieke eisen stellen aan hun opvoeder, op zich te nemen. Het hof is dan ook van oordeel dat het niet in het belang van [kind 1] en [kind 2] is om thans opnieuw te proberen de kinderen thuis te plaatsen. Het hof is met BJZ van oordeel dat het risico voor mislukking van de thuisplaatsing op dit moment te groot is. Wanneer de terugplaatsing nu voor de derde maal zou mislukken, zou dit zeer schadelijk kunnen zijn voor de ontwikkeling van de kinderen. Daar komt bij dat de kinderen zich binnen het pleeggezin thans positief ontwikkelen. Het hof is van oordeel dat het niet in het belang van [kind 1] en [kind 2] is wanneer deze positieve ontwikkeling wordt doorbroken.
14. Gelet op het voorgaande is het hof met de rechtbank van oordeel dat verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] en [kind 2] noodzakelijk is in het belang van hun verzorging en opvoeding.
Slotsom
15. Op grond van het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep te worden bekrachtigd.
De beslissing
Het gerechtshof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, voorzitter, J.D.S.L. Bosch en M.A.L.M. Willems en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 december 2010 in bijzijn van de griffier.