ECLI:NL:GHLEE:2010:BQ4439

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
28 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.072.041
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:11 AwbArt. 6:24 AwbArt. 14 WAHV
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens overschrijding beroepstermijn ondanks taalbarrière

De betrokkene, gevestigd in Duitsland, stelde beroep in tegen een bestuursbeslissing van het CJIB via de kantonrechter Amsterdam. De kantonrechter verklaarde het beroep niet-ontvankelijk. De betrokkene stelde vervolgens hoger beroep in, maar dit werd door het gerechtshof Leeuwarden niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroepschrift pas op 3 augustus 2010 werd ingediend, terwijl de beroepstermijn op 18 mei 2010 was verstreken.

Hoewel de betrokkene de Nederlandse taal niet voldoende beheerst en de oorspronkelijke kennisgeving van de kantonrechter niet in het Duits was gesteld, werd geoordeeld dat de betrokkene redelijkerwijs had moeten begrijpen dat het beroep tijdig moest worden ingesteld. Een in het Duits gesteld betalingsoverzicht na het beroep bij de kantonrechter, ontvangen op 28 juni 2010, maakte duidelijk dat de beslissing onherroepelijk was geworden.

Het gerechtshof oordeelde dat van een in Duitsland gevestigde betrokkene mag worden verwacht dat zij na ontvangst van een in haar taal gesteld document zo spoedig mogelijk hoger beroep instelt. Het te late indienen leidde tot niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep. Hiermee werd het beroep definitief afgewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Uitspraak

WAHV 200.072.041
28 december 2010
CJIB 129673480
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam
van 6 april 2010
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
gevestigd te [vestigingsplaats] (Duitsland).
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam genomen beslissing niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Ingevolge het bepaalde in artikel 14, eerste lid, WAHV in verbinding met de artikelen 6:24, 6:7 en 6:8 Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient het hoger beroep te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop een afschrift van de bestreden beslissing aan de betrokkene is toegezonden.
2. Blijkens de gedingstukken is de bestreden beslissing op 6 april 2010 aan de betrokkene toegezonden. De beroepstermijn eindigde derhalve op 18 mei 2010.
Het beroepschrift is blijkens een daarop gesteld stempel op 3 augustus 2010 ingekomen ter griffie van de rechtbank. Het hoger beroep is dus niet tijdig ingesteld.
3. Artikel 6:11 Awb Pro bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
4. Indien moet worden aangenomen dat een betrokkene de Nederlandse taal niet voldoende beheerst, brengt het bepaalde in artikel 6 van Pro het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) mee, dat mededelingen die betrekking hebben op de wettelijke vereisten waaraan moet zijn voldaan wil het beroep bij de rechter ontvankelijk zijn, moeten worden gedaan in een taal die hij redelijkerwijze geacht kan worden te beheersen. Bij gebreke daarvan is het in artikel 6 EVRM Pro besloten liggende recht op toegang tot de rechter niet gewaarborgd.
5. Aangenomen moet worden dat de betrokkene de Nederlandse taal niet beheerst, aangezien zij in Duitsland gevestigd is en steeds in de Duitse taal heeft gecorrespondeerd.
6. Onder de beslissing van de kantonrechter is de betrokkene in de Nederlandse taal gewezen op de mogelijkheid om daartegen hoger beroep in te stellen. Nu deze rechtsmiddelenverwijzing niet in de Duitse taal is gesteld, kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat de betrokkene op dit punt in verzuim is geweest.
7. De betrokkene heeft echter op 28 juni 2010 een in de Duitse taal gesteld betalingsoverzicht na beroep bij de kantonrechter ontvangen. Daarin is aangegeven, dat de kantonrechter heeft beslist op het beroep en dat de betrokkene de sanctie moet betalen. Hieruit kan niet anders worden afgeleid dan dat de beslissing van de kantonrechter, volgens het CJIB, onherroepelijk geworden is. In zodanige situatie mag van de betrokkene verwacht dat, als hij tegen de beslissing van de kantonrechter een rechtsmiddel wil aanwenden, hij dit doet zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs kan worden verlangd. Dat heeft de betrokkene niet gedaan. Eerst bij op 3 augustus 2010 ingekomen geschrift is hoger beroep ingesteld.
8. Gelet hierop moet het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.
Beslissing
Het gerechtshof:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van Terhell als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.