ECLI:NL:GHLEE:2011:BP0778

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
4 januari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.051.161
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 lid 1 BWArt. 288 lid 1 onder a Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over wijziging kinderalimentatie bij schuldhulpverlening

Partijen zijn gescheiden en hebben twee minderjarige kinderen. De man is in een minnelijk schuldhulpverleningstraject vanwege financiële problemen. De rechtbank had eerder de kinderalimentatie op nihil gesteld. De vrouw ging in hoger beroep en verzocht het hof om de alimentatie te herstellen.

Het hof overweegt dat hoewel de man een schuldhulpverleningstraject volgt, hij nog steeds voldoende afloscapaciteit heeft om zijn schulden te voldoen. Hierdoor is geen sprake van een wijziging van omstandigheden die een verlaging of nihilstelling van de alimentatie rechtvaardigt. Ook de vrouw draagt naar rato bij in de kosten van de kinderen gezien haar inkomen en zorg voor de kinderen.

Het hof vernietigt de eerdere beschikking en wijst het verzoek van de man af. De onderhoudsplicht blijft dus gehandhaafd, ondanks het schuldhulpverleningstraject. De beslissing is genomen tijdens een openbare zitting op 4 januari 2011.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de man tot nihilstelling van de kinderalimentatie af en handhaaft de onderhoudsverplichting.

Uitspraak

Beschikking d.d. 4 januari 2011
Zaaknummer 200.051.161
HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN
Beschikking in de zaak van
[naam],
wonende te [woonplaats],
appellante,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. M.R.P. Ossentjuk, kantoorhoudende te Groningen,
tegen
[naam],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. E.W.K. Bosman, kantoorhoudende te Haarlem.
Het geding in eerste aanleg
Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 16 september 2009 heeft de rechtbank Assen de beschikking van diezelfde rechtbank van 21 november 2007 gewijzigd, in die zin dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [naam kind 1] (hierna: [kind 1]), geboren op [1998] te [plaats], en [naam kind 2] (hierna: [kind 2]), geboren op [2001] te [plaats], met ingang van 12 mei 2009 is bepaald op nihil.
Het geding in hoger beroep
Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 14 december 2009, heeft de vrouw verzocht de beschikking van 16 september 2009 te vernietigen en opnieuw beslissende te bepalen dat de door de man met ingang van de datum van het inleidende verzoekschrift te betalen kinderalimentatie wordt vastgesteld op een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag en te bepalen dat de duur van de eventuele vermindering c.q. nihilstelling van de kinderalimentatie wordt beperkt tot de duur van het minnelijke traject.
Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 22 januari 2010, heeft de man het verzoek bestreden en verzocht de vrouw in haar verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel haar verzoek af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.
Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken.
Ter zitting van 6 juli 2010 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de vrouw en de man, beiden bijgestaan door hun advocaat.
De beoordeling
De vaststaande feiten
1. Partijen zijn op 18 mei 1990 met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk tussen partijen zijn [kind 1] en [kind 2] geboren. Het huwelijk tussen partijen is op 6 september 2007 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 1 augustus 2007 in de registers van de burgerlijke stand. De kinderen hebben hun hoofd-verblijfplaats bij de vrouw. Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen.
2. Bij beschikking van 21 november 2007 heeft de rechtbank Assen (onder meer) bepaald dat de man met ingang van 21 november 2007 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] aan de vrouw een bedrag van € 250,-- per kind per maand dient te betalen. Door toepassing van de wettelijke indexering bedraagt de bijdrage in 2009 € 265,45 per kind per maand.
3. De man is op 15 februari 2008 gehuwd met zijn nieuwe partner [partner van man].
4. Bij inleidend verzoekschrift van 11 mei 2009 heeft de man verzocht de beschikking van de rechtbank Assen van 21 november 2007 te wijzigen, in die zin dat de door de man te betalen onderhoudsbijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] met ingang van 8 januari 2009, dan wel met ingang van de datum van indiening van het inleidende verzoekschrift op nihil wordt bepaald, althans op een zodanig lager bedrag dan € 265,45 per kind per maand als de rechtbank juist oordeelt.
5. Bij de beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank beslist als hiervoor vermeld onder het kopje "Het geding in eerste aanleg". Tegen deze beslissing is het hoger beroep van de vrouw gericht.
6. De schuldeisers van de man zijn - na de nihilstelling van de alimentatie in eerste aanleg - (alsnog) akkoord gegaan met een minnelijke regeling, welk traject is gestart met ingang van 1 december 2009.
De ontvankelijkheid
7. Indien een verzoeker in rechte aanvoert dat zich sedert de beslissing waarvan wijziging wordt verzocht een wijziging in omstandigheden in de zin van art. 1:401 lid 1 BW Pro heeft voorgedaan die een hernieuwde beoordeling van de draagkracht rechtvaardigt, is de verzoeker ontvankelijk in zijn verzoek. Ingeval de rechter vervolgens vaststelt dat er geen sprake is van een wijziging in omstandigheden dient een afwijzing van het verzoek te volgen.
8. Nu de man aan zijn inleidend verzoek ten grondslag heeft gelegd dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden is hij terecht in zijn inleidende verzoek ontvankelijk verklaard.
De wijziging van omstandigheden
9. Aan de orde is vervolgens de vraag of zich na de beslissing waarvan wijziging wordt verzocht een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW Pro heeft voorgedaan.
10. De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het feit dat er door het op het salaris van de man gelegde loonbeslag slechts een nettobedrag van
€ 802,22 per maand overblijft, voldoende is om te constateren dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. De man is van mening dat er wel sprake is van een wijziging van omstandigheden. Hij wijst erop dat de vrouw blijkens de beschikking van 21 november 2007 bij het uiteengaan van partijen een deel van de huwelijkse schulden zou dragen, onder welke voorwaarde de man akkoord is gegaan met het in die beschikking genoemde alimentatiebedrag voor de kinderen. Volgens de man weigert de vrouw echter een deel van de schulden op zich te nemen, waardoor de man in grote financiële problemen raakte, er voortdurend beslag op zijn inkomen ligt en hij uiteindelijk genoodzaakt was schuldhulp te zoeken. Dit heeft geresulteerd in een minnelijk schuldhulptraject.
11. Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Indien een schuldenaar is toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling en door de rechter-commissaris bij het vaststellen van het vrij te laten bedrag geen rekening is gehouden met enig bedrag aan alimentatie, is het gebruikelijk om de onderhoudsverplichting van de schuldenaar gedurende het schuldsaneringstraject op nihil te stellen. Omdat het de bedoeling van de wettelijke schuldsaneringsregeling is om te bevorderen dat tussen de schuldeisers en de schuldenaar een minnelijk akkoord wordt aangegaan oftewel dat voorafgaand aan een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling eerst wordt gepoogd een vrijwillig schuldhulpverleningstraject te laten slagen, geldt het hiervoor genoemde uitgangspunt in beginsel ook wanneer er met de schuldeisers een minnelijke regeling is overeengekomen teneinde te voorkomen dat de wettelijke schuldsaneringsregeling dient te worden toegepast.
12. Op grond van artikel 288 lid 1 onder Pro a van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen wordt een verzoek om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden. Uit de door de man overgelegde brief van 7 januari 2010 van PLANgroep blijkt dat de man een afloscapaciteit van € 2271,49 per maand heeft. Op grond hiervan is de man in staat om de totale schuldenlast van € 78.847,-- in een periode van
35 maanden af te lossen. Het hof leidt hieruit af dat de man thans nog steeds in staat is zijn schulden te betalen. Derhalve is niet voldaan aan de eisen die worden gesteld aan toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, zodat een eventueel verzoek van de man daartoe niet zal worden toegewezen.
13. In de omstandigheid dat de man niet in een zodanige positie verkeert dat hij kan worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, ziet het hof aanleiding om het hiervoor onder rechtsoverweging 11 genoemde uitgangspunt in de onderhavige zaak niet toe te passen op het vrijwillige traject waarin een minnelijke regeling met de schuldeisers is overeengekomen. Dat de partner van de man in de toekomst mogelijkerwijs minder uren zal kunnen werken, waardoor zij een lager inkomen zal hebben, hetgeen tot gevolg heeft dat de afloscapaciteit van de man zal dalen, leidt niet tot een ander oordeel. Vanwege het onzekere karakter van deze aangevoerde toekomstige omstandigheid zal het hof daarmee thans geen rekening houden.
14. Op basis van de beschikking van 21 november 2007 dient de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] te betalen van € 250,-- per kind per maand, hetgeen door indexering in 2009 een bedrag van € 265,46 per kind per maand betreft. De man lost thans een bedrag van € 2.271,40 per maand af op zijn schulden. Indien op deze afloscapaciteit de door de man te betalen kinderalimentatie in mindering wordt gebracht, resteert een afloscapaciteit van
(€ 2.271,40 minus 2 x € 265,46 =) € 1.740,48 per maand. De man is daarmee nog steeds in staat maandelijks een behoorlijk bedrag af te lossen op zijn schulden en op termijn - zij het een wat langere - tot aflossing van de totale schuldenlast te komen. Gelet op deze situatie is het hof van oordeel dat het belang van de schuldeisers bij algehele aflossing geen prioriteit heeft boven de onderhoudsplicht van de man jegens [kind 1] en [kind 2].
15. Voor zover de man heeft aangevoerd dat de wijziging van omstandigheden daarin is gelegen dat de vrouw thans in staat moet worden geacht (meer) bij te dragen in de kosten van de kinderen, volgt het hof de man niet in die stelling. De vrouw heeft in eerste aanleg onbetwist gesteld dat de behoefte van de kinderen in totaal
€ 905,-- per maand bedraagt, zijnde € 452,50 per kind per maand. Op basis van de beschikking van 21 november 2007 dient de man met een bedrag van € 265,46 per kind per maand bij te dragen in die behoefte. Het resterende deel van de behoefte van € 187,04 per kind per maand dient door de vrouw te worden voldaan. Uit de door partijen overgelegde stukken blijkt dat de man een bruto inkomen van ongeveer € 4.000,-- per maand heeft en de vrouw ongeveer € 3.000,-- per maand. Gelet op de verhouding van de inkomens van partijen en gelet op de omstandigheid dat de vrouw de dagelijkse zorg voor de kinderen heeft, is het hof van oordeel dat de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen bij de huidige door de man te betalen kinderalimentatie reeds naar rato over partijen is verdeeld.
16. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat zich in dit geval geen relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan die een hernieuwde beoordeling rechtvaardigt. Het hof komt daarom - anders dan de rechtbank - tot het oordeel dat het inleidende verzoek van de man tot wijziging van de beschikking van 21 november 2007 dient te worden afgewezen.
Slotsom
17. Op grond van het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep te worden vernietigd. Er zal opnieuw worden beslist als na te melden.
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beschikking waarvan beroep;
en opnieuw beslissende:
wijst het inleidend verzoek van de man af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. B.J.J. Melssen, voorzitter, G. Jonkman en J. Hulsebosch en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 januari 2011 in bijzijn van de griffier.