ECLI:NL:GHLEE:2011:BP4659
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toewijzing vordering geldlening na opeisbaarheid boedelverdeling
In deze civiele zaak stond de opeisbaarheid van acht geldleningsovereenkomsten ter discussie, waarbij geïntimeerde in totaal €4.805,89 had geleend van [naam] Financiële Diensten. De leningsovereenkomsten bepaalden dat terugbetaling binnen een maand na dagtekening van de boedelscheiding tussen geïntimeerde en mevrouw [naam vrouw] moest plaatsvinden.
De rechtbank Groningen wees de vordering van [naam] Financiële Diensten af, omdat niet was vastgesteld dat de boedelverdeling definitief was geworden. In hoger beroep stelde het hof vast dat de vordering inmiddels opeisbaar is, nu het arrest in de verdelingsprocedure is gewezen en geen cassatie is ingesteld. De stelling van geïntimeerde dat de vordering niet opeisbaar is, faalt daarmee.
Het hof oordeelde dat de onderbouwing van de door [naam] Financiële Diensten gestelde nadere afspraken omtrent de boedelverdeling onvoldoende was. De vordering werd daarom in eerste aanleg terecht afgewezen, maar thans toewijsbaar geacht. De buitengerechtelijke kosten en beslagkosten werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en het ontbreken van opeisbaarheid ten tijde van het beslag.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank deels en veroordeelde geïntimeerde tot betaling van €4.805,89, met veroordeling in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Geïntimeerde wordt veroordeeld tot betaling van €4.805,89 aan [naam] Financiële Diensten wegens opeisbaarheid van de lening na boedelverdeling.