ECLI:NL:GHLEE:2011:BP6249

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
1 maart 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
24-001872-09
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 65 Algemene bijstandswetArt. 17 Wet werk en bijstandArt. 3 lid 4 Wet werk en bijstand
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak uitkeringsfraude wegens ontbreken opzet melding gezamenlijke huishouding

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld wegens het opzettelijk niet melden van een gezamenlijke huishouding met een medeverdachte, wat zou leiden tot onrechtmatige uitkering. In hoger beroep heeft het hof het vonnis vernietigd en de verdachte vrijgesproken.

Het hof stelde vast dat hoewel medeverdachte gedurende een deel van de periode zijn hoofdverblijf bij verdachte had en zij daarmee een gezamenlijke huishouding voerden, niet bewezen kon worden dat verdachte zich bewust was van de noodzaak om dit te melden aan de uitkeringsinstantie. Daarbij speelde een rol dat zowel verdachte als medeverdachte beperkte taalvaardigheid en begrip hadden.

De advocaat-generaal had een werkstraf van 180 uur geëist, subsidiair 90 dagen hechtenis, maar het hof oordeelde dat het bewijs onvoldoende was voor opzet. Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en de verdachte werd vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van opzet bij het niet melden van gezamenlijke huishouding.

Uitspraak

Parketnummer: 24-001872-09
Parketnummer eerste aanleg: 17-618025-09
Arrest van 1 maart 2011 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 20 juli 2009 in de strafzaak tegen:
[verdachte],
geboren op [1967] te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats], [adres],
verschenen in persoon, bijgestaan door haar raadsman mr. K.E. Wielenga, advocaat te Leeuwarden.
Het vonnis waarvan beroep
De politierechter in de rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.
Gebruik van het rechtsmiddel
De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.
Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair te vervangen door 90 dagen hechtenis.
De beslissing op het hoger beroep
Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:
verdachte in of omstreeks de periode van 1 oktober 2002 tot en met 31 december 2008, te [plaats], (althans) in de gemeente Leeuwarden, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) in strijd met een haar en/of haar mededader(s) bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten (artikel 65 van Pro) de Algemene bijstandswet en/of (artikel 17 van Pro) de Wet werk en bijstand, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijze moest(en) vermoeden, dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering krachtens de Algemene bijstandswet en/of de Wet werk en bijstand, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft verdachte en/of verdachtes mededader(s) (telkens) opzettelijk - zakelijk weergegeven - voor (de afdeling of dienst Sociale Zaken van) de gemeente Leeuwarden verzwegen dat zij, verdachte, samenwoonde, althans een gezamenlijk huishouding voerde, met [medeverdachte], in elk geval
[medeverdachte] toen (telkens) zijn hoofdverblijf had op haar, verdachtes, (woon)adres de [adres] te [plaats].
Vrijspraak
Weliswaar kan aan de verklaring van verdachte, op 14 januari 2009 afgelegd tegenover de sociale recherche, en de verklaring van [medeverdachte], afgelegd ten overstaan van de sociale recherche op 13 januari 2009, het bewijs worden ontleend dat [medeverdachte] gedurende een deel van de ten laste gelegde periode zijn hoofdverblijf bij verdachte had en verdachte daarmee - gelet op artikel 3, vierde lid, van de Wet werk en bijstand - met [medeverdachte] een gezamenlijke huishouding voerde, maar naar het oordeel van het hof kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich, gelet op de achtergrond waarmee [medeverdachte] zich in de woning van verdachte bevond, ook bewust is geweest van de noodzaak om hiervan melding te doen bij de uitkeringverstrekkende instantie. Gelet hierop en rekening houdend met de/het beperkte taalvaardigheid en -begrip van zowel verdachte als [medeverdachte], kan niet worden bewezen dat verdachte dit opzettelijk heeft nagelaten.
Gelet op het voorgaande acht het hof niet bewezen hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd, zodat zij daarvan moet worden vrijgesproken.
De uitspraak
HET HOF,
RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:
vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:
verklaart het verdachte ten laste gelegde niet bewezen en spreekt haar daarvan vrij.
Dit arrest is aldus gewezen door mr. K. Lahuis, voorzitter, mr. W.M. van Schuijlenburg en mr. G.M. Meijer-Campfens, in tegenwoordigheid van K.J. Reinke als griffier, zijnde mr. K. Lahuis voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.