ECLI:NL:GHLEE:2011:BP8898

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
23 maart 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
24-000620-10
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22c SrArt. 22d SrArt. 36f SrArt. 321 Sr
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens verduistering van verenigingsgelden door penningmeester

Verdachte, penningmeester van een vereniging, heeft tussen 1 januari 2004 en 22 februari 2008 verenigingsgelden ter waarde van €17.523,24 wederrechtelijk voor eigen gebruik aangewend. Het hof sprak verdachte vrij van de primair ten laste gelegde feiten, maar achtte het subsidiaire ten laste gelegde bewezen: verduistering van gelden.

De rechtbank had verdachte eerder veroordeeld, maar het hof vernietigde dit vonnis en deed opnieuw recht. Het hof legde een werkstraf van 120 uur op, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis, en wees de vordering van de vereniging tot schadevergoeding van €11.023,24 toe. Verdachte had persoonlijke problemen zoals echtscheiding en depressies, maar was zich bewust van zijn laakbare handelen en toonde verbetering.

De werkgever van verdachte, het Ministerie van Defensie, had hem disciplinair gestraft zonder ontslag. Verdachte had geen eerdere veroordelingen. Het hof achtte strafuitsluitingsgronden afwezig en motiveerde de straf op basis van de ernst van het feit, het vertrouwen dat werd beschaamd en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De schadevergoedingsmaatregel werd opgelegd ten behoeve van de benadeelde vereniging. Bij niet-nakoming van de werkstraf volgt vervangende hechtenis. Betaling aan de Staat vervalt indien voldaan wordt aan de vordering van de vereniging en vice versa.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 120 uur werkstraf en toewijzing van schadevergoeding van €11.023,24 aan de vereniging.

Uitspraak

Parketnummer: 24-000620-10
Parketnummer eerste aanleg: 19-605934-08
Arrest van 23 maart 2011 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Assen van 22 februari 2010 in de strafzaak tegen:
[verdachte],
geboren op [1965] te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats], [adres],
verschenen in persoon.
Het vonnis waarvan beroep
De politierechter in de rechtbank Assen heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot straffen, een beslissing genomen op de vordering van de benadeelde partij en een maatregel opgelegd, zoals in dat vonnis omschreven.
Gebruik van het rechtsmiddel
De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.
Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal vrijspreken van het primair ten laste gelegde en voor het subsidiair ten laste gelegde zal veroordelen tot een werkstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen tot het gevorderde bedrag van € 11.023,24, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De beslissing op het hoger beroep
Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:
hij in de periode van 01 januari 2004 tot en met 22 februari 2008 te [plaats], althans Nederland, opzettelijk een geldbedrag van 17.523,24 EUR, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan vereniging [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk geldbedrag verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als penningmeester van voornoemde vereniging, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toege-eigend;
althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, ter zake dat
hij in de periode van 01 januari 2004 tot en met 22 februari 2008 te [plaats], althans Nederland, opzettelijk een geldbedrag van 17.523,24 EUR, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan vereniging [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geldbedrag verdachte anders dan door misdrijf, te weten in zijn hoedanigheid als penningmeester van voornoemde vereniging, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toege-eigend.
Vrijspraak
Het hof acht niet bewezen hetgeen primair aan verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het hof acht bewezen dat:
hij in de periode van 01 januari 2004 tot en met 22 februari 2008 te [plaats], opzettelijk een geldbedrag van 17.523,24 EUR, toebehorende aan vereniging [benadeelde], welk geldbedrag verdachte anders dan door misdrijf, te weten in zijn hoedanigheid als penningmeester van voornoemde vereniging, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toege-eigend.
Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.
Kwalificatie
Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:
verduistering.
Strafbaarheid
Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft gedurende een aantal jaren gelden voor eigen gebruik aangewend, die hij als penningmeester van de vereniging [benadeelde] beheerde.
Verdachte heeft een - ook in strafrechtelijke zin - volstrekt ongeoorloofd en bovendien heilloos gebleken middel gekozen om uit zijn persoonlijke financiële problemen te geraken. Verdachte heeft de vereniging schade toegebracht en het vertrouwen dat bestuur en leden moeten kunnen stellen in degene die de taak van penningmeester uitoefent - een vertrouwensfunctie bij uitstek - beschaamd.
Uit hetgeen door verdachte ter terechtzitting van het hof van 9 maart 2011 naar voren is gebracht blijkt dat verdachte in de betreffende periode te kampen had met echtscheidingproblemen, ernstige depressies en vermijdingsgedrag. Verdachte heeft blijk gegeven zich terdege bewust te zijn van het laakbare van zijn handelen en zijn verantwoordelijkheden onder ogen te zien. Door hulp te zoeken en te aanvaarden, zowel op psychologisch als op praktisch gebied, lijkt er langzamerhand sprake te zijn van een positieve ontwikkeling, waaronder het op orde brengen van zijn financiën en het aflossen van zijn verplichtingen in dat opzicht. Het hof stelt daarnaast vast dat de werkgever van verdachte, het Ministerie van Defensie, verdachte disciplinair heeft gestraft, vooralsnog zonder hem te ontslaan.
Het hof heeft voorts gelet op het de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 9 februari 2011, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.
Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat, anders dan de politierechter en overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, volstaan kan worden met oplegging van een werkstraf van na te melden duur.
Benadeelde partij
Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken, dat de benadeelde partij, de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging [benadeelde], statutair gevestigd te [vestigingsplaats], zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat haar vordering ad € 11.023,24 in eerste aanleg niet is toegewezen en dat zij zich binnen de grenzen van haar eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van haar in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.
Nu de vordering betrekking heeft op schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezen verklaarde feit en door verdachte niet is weersproken, zal het hof deze toewijzen tot het gevorderde bedrag van € 11.023,24.
Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Schadevergoedingsmaatregel
Het hof zal voormeld bedrag tevens toewijzen in de vorm van een schadevergoedings-maatregel.
Toepassing van wetsartikelen
Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 36f en 321 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.
De uitspraak
HET HOF,
RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:
vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:
verklaart het verdachte primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het verdachte subsidiair ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;
verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;
veroordeelt verdachte [verdachte] tot taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van honderdtwintig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van zestig dagen zal worden toegepast;
wijst toe de vordering van de benadeelde partij, de [benadeelde], statutair gevestigd te [vestigingsplaats], tot een bedrag van elfduizend drieëntwintig euro en vierentwintig cent;
veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van elfduizend drieëntwintig euro en vierentwintig cent ten behoeve van het slachtoffer, de [benadeelde], statutair gevestigd te [vestigingsplaats];
beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van negentig dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;
bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
Dit arrest is aldus gewezen door mr. G.M. Meijer-Campfens, voorzitter, mr. J. Hielkema en mr. J.P. van Stempvoort, in tegenwoordigheid van J.B. Schwerzel als griffier, zijnde mr. Van Stempvoort voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.